202206419/2/R4, 202206420/2/R4 en 202206421/2/R4.
Datum uitspraak: 9 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende de hoger beroepen van:
Vermilion Energy Netherlands B.V., gevestigd in Harlingen,
verzoekster,
tegen de uitspraken van de rechtbank MiddenNederland van 30 september 2022 in zaken nrs. 21/4153, 21/4157 en 21/4158 in de gedingen tussen:
1. het college van gedeputeerde staten van Utrecht en andere (hierna samen: Utrecht),
2. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: Zuid-Holland), en
3. Stichting Laat Woerden Niet Zakken (hierna: de stichting), gevestigd in Woerden,
en
de minister van Economische Zaken en Klimaat, thans: de minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 15 maart 2021 heeft de minister, naar aanleiding van een aanvraag van Vermilion, de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning koolwaterstoffen Utrecht verlengd tot en met 31 december 2025.
Bij besluit van 3 september 2021 heeft de minister de daartegen door onder meer Utrecht, Zuid-Holland en de stichting gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraken van 30 september 2022, in zaken nrs. 21/4153, 21/4157 en 21/4158, heeft de rechtbank de daartegen door Utrecht, Zuid-Holland en de stichting ingestelde beroepen gegrond verklaard en het besluit van 3 september 2021 vernietigd.
Vermilion heeft tegen deze uitspraken hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 1 december 2022 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat de tegen het besluit van 15 maart 2021 gemaakte bezwaren gegrond verklaard, het besluit van 15 maart 2021 herroepen en de aanvraag van Vermilion om verlenging van de opsporingsvergunning afgewezen.
Vermilion heeft tegen dit besluit gronden aangevoerd.
Vermilion heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister, Utrecht, Zuid-Holland en de stichting hebben schriftelijke uiteenzettingen ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld op 20 november 2025, waar Vermilion, vertegenwoordigd door mr. R. Olivier, advocaat in Den Haag, vergezeld door mr. drs. H.M. Israëls, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. D.W.M. Wenders, zijn verschenen. Ook zijn ter zitting Utrecht en Zuid-Holland, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat in Breda, vergezeld door mr. J.H.M. Peters en ir. M.J. van Asten, en de stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Het geschil in hoger beroep
2. Vermilion bestrijdt in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat Utrecht, Zuid-Holland en de stichting belanghebbenden zijn bij het besluit van 15 maart 2021 en daarom in het besluit op bezwaar van 3 september 2021 ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard.
Vermilion bestrijdt in hoger beroep ook het naar aanleiding van de rechtbankuitspraak genomen nieuwe besluit op bezwaar van 1 december 2022. Zij is het niet eens met het standpunt in dat besluit dat de opsporingsvergunning in het besluit 15 maart 2021 ten onrechte is verlengd, omdat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning op die datum al was verstreken en de Mijnbouwwet het niet mogelijk maakt om een verstreken opsporingsvergunning te verlengen.
Het verzoek
3. Omdat een uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure, door de lange duur van die procedure, niet meer mogelijk is vóór 31 december 2025, heeft Vermilion de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning wordt verlengd tot aan die uitspraak. Vermilion vreest voor een scenario waarin zij in de bodemprocedure (deels) gelijk krijgt, maar te laat om een nieuwe verlenging van de opsporingsvergunning te kunnen krijgen. Dit scenario zou zich kunnen voordoen als de Afdeling in de bodemprocedure oordeelt dat Utrecht, Zuid-Holland en de stichting geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 15 maart 2021 en daarom in het besluit op bezwaar van 3 september 2021 terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, maar vervolgens oordeelt (in de bodemprocedure of een vervolgprocedure) dat het standpunt van de minister dat een verstreken opsporingsvergunning niet kan worden verlengd, juist is. Weliswaar zou het besluit van 3 september 2021 dan alsnog in stand blijven, maar dat besluit zou vanwege het verstrijken van de daarin opgenomen geldigheidsduur geen basis meer kunnen vormen voor een verdere verlenging van de opsporingsvergunning.
4. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de door Vermilion gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Wat Vermilion verzoekt, past naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet binnen de grenzen van het geding dat voorligt. Die grenzen worden bepaald door het besluit van 3 september 2021, waarin de opsporingsvergunning is verlengd tot en met 31 december 2025. Vermilion kan met haar hoger beroep bereiken dat dat besluit alsnog in stand blijft, maar niet meer dan dat. Voor zover Vermilion betoogt dat, als het onder 3 beschreven scenario zich voordoet, er ruimte hoort te zijn voor een voorlopige voorziening buiten de (normale) grenzen van het geding, overweegt de voorzieningenrechter dat zij dit in de bodemprocedure aan de Afdeling kan voorleggen. De Afdeling heeft in de bodemprocedure een eigen bevoegdheid om, als zij daarvoor naar aanleiding van het betoog van Vermilion ruimte en aanleiding ziet, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht een voorlopige voorziening te treffen. Voor het eventueel uitoefenen van die bevoegdheid door de Afdeling is een toewijzing van dit verzoek om een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter niet vereist. Gelet hierop en omdat in de bodemprocedure inmiddels een zitting is gepland op 6 februari 2026, ziet de voorzieningenrechter ook geen voldoende belang aan de zijde van Vermilion bij een voorlopige voorziening waarmee de opsporingsvergunning wordt verlengd tot aan de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure.
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Grinsven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025
462