ECLI:NL:RVS:2025:5945

ECLI:NL:RVS:2025:5945, Raad van State, 11-12-2025, BRS.24.000480

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer BRS.24.000480
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.24.000480

ECLI:NL:RVS:2025:5945

Datum uitspraak: 11 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024 in zaak nr. NL24.45895 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.

Bij mondelinge uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J. Crutzen, advocaat in Heerlen, heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Op verzoek van de Afdeling heeft betrokkene nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 19 april 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (hierna: de eerste maatregel). Bij besluit van 15 oktober 2024 heeft de minister de termijn van de aan betrokkene opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.

1.1. Op 30 oktober 2024 zou betrokkene naar Algerije worden uitgezet. Die uitzetting is geannuleerd, omdat betrokkene op 17 oktober 2024 een asielaanvraag heeft gedaan. Op 18 oktober 2024 heeft betrokkene deze asielaanvraag weer ingetrokken. De minister heeft een nieuwe uitzetting gepland op 15 november 2024. Ook deze uitzetting heeft de minister geannuleerd, omdat betrokkene op diezelfde dag een asielaanvraag heeft gedaan. De minister heeft betrokkene op 16 november 2024 over zijn asielmotieven gehoord. Op 18 november 2024 heeft de minister een voornemen uitgebracht om de aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen. In dat voornemen is ook vermeld dat de minister van plan is de eerste maatregel van bewaring op 19 november 2024 om te zetten in een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 (hierna: de tweede maatregel).

1.2. Op 19 november 2024 heeft de minister de eerste maatregel opgeheven en aansluitend de tweede maatregel opgelegd.

2. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtmatigheid van de eerste maatregel van bewaring bij de beoordeling mag worden betrokken in de procedure over de tweede maatregel.

De uitspraak van de rechtbank

3. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, Bouskoura, ECLI:EU:C:2024:868, en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16568, heeft de rechtbank ambtshalve geoordeeld dat het voortduren van de eerste maatregel nadat de grondslag hiervoor is vervallen, tot gevolg heeft dat de tweede maatregel onrechtmatig is opgelegd. De rechtbank ziet in dit geval dus aanleiding om de "schotten" tussen de eerste en de tweede maatregel te doorbreken.

3.1. De eerste maatregel is naar het oordeel van de rechtbank onrechtmatig geworden vanaf het moment dat betrokkene een asielaanvraag heeft gedaan op 15 november 2024. De omstandigheid dat de eerste maatregel na het doen van de asielaanvraag op 15 november 2024, pas op 19 november 2024 is opgeheven, terwijl betrokkene al voor de opheffing is gehoord over zijn asielmotieven en er ook een voornemen is uitgebracht, leidt de rechtbank tot de conclusie dat de tweede maatregel ook van aanvang af onrechtmatig is.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister de maatregel heeft laten voortduren op de grondslag om betrokkene te verwijderen, terwijl betrokkene niet onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn valt. Om die reden zijn betrokkene de specifieke waarborgen van de Opvangrichtlijn onthouden.

3.2. Onder deze omstandigheden volstaat naar het oordeel van de rechtbank alleen de onmiddellijke invrijheidstelling als doeltreffende voorziening in rechte.

Het hoger beroep van de minister

4. In zijn enige grief betoogt de minister dat de rechtbank niet heeft onderkend dat slechts in de uitzonderlijke situatie dat sprake is van enige kwade trouw of misleiding bij de uitvoering van de vrijheidsontnemende maatregel, de rechterlijke instantie verplicht is om de vreemdeling in vrijheid te stellen. In deze zaak is volgens de minister geen sprake van enige kwade trouw of misleiding door de asielprocedure ter hand te nemen zonder eerst na te gaan of het in bewaring stellen van betrokkene gedurende de asielprocedure rechtmatig is.

De beoordeling van het hoger beroep

4.1. De Afdeling moet in dit geval eerst beoordelen of de rechtbank een inhoudelijk oordeel mocht geven over de eerste maatregel in het beroep tegen de tweede maatregel. De Afdeling beoordeelt namelijk ambtshalve of de rechter binnen de grenzen is gebleven van de beoordeling die zij moest maken.

4.2. De rechtbank heeft in de procedure tegen de tweede maatregel geoordeeld dat de eerste maatregel onrechtmatig is geworden vanaf het moment dat betrokkene een asielaanvraag heeft gedaan. Daarmee is zij buiten de omvang van het geding getreden.

4.3. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat iedere bewaringsmaatregel waaraan andere vereisten worden gesteld dan de daaraan voorafgaande bewaringsmaatregel, als een nieuwe maatregel van bewaring geldt (uitspraken van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1089, en van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67, onder 3.1).

4.4. Om die reden moet uit een oogpunt van eenvoud en overzichtelijkheid van het recht tegen elke nieuwe maatregel van bewaring apart een beroep, als bedoeld in artikel 94, eerste lid, of artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, worden ingesteld (uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2005, onder 3.1 tot en met 3.3). Dit laat onverlet dat de rechtbank, voor zover dat organisatorisch mogelijk is, apart ingestelde beroepen gezamenlijk ter zitting kan behandelen.

4.5. De vraag die in het hoger beroep voorligt, namelijk of de eerste maatregel tijdig is opgeheven en is omgezet in de tweede maatregel, houdt een beoordeling in van de vraag of de eerste maatregel tot aan de opheffing daarvan op de juiste wettelijke grondslag heeft voortgeduurd. Deze vraag dient daarom te worden beoordeeld in een beroep tegen de eerste maatregel, en niet in een beroep tegen de tweede maatregel.

Pas nadat de onrechtmatigheid van de eerste maatregel is vastgesteld in een beroep tegen die maatregel, kan de vraag aan de orde komen of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel, in een beroep tegen die tweede maatregel (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1206, onder 3.2 en 3.3).

4.6. In aanvulling op haar vaste rechtspraak merkt de Afdeling op dat de rechtbank van de onrechtmatigheid van de eerste maatregel uit mag gaan in een beroep tegen de tweede maatregel indien de minister schriftelijk heeft erkend dat de eerste maatregel, al dan niet voor een periode, onrechtmatig is en zij daarvoor schadevergoeding heeft aangeboden aan betrokkene. Indien de rechtbank dit vaststelt in het beroep tegen de tweede maatregel, kan een beroep tegen de eerste maatregel op dat punt achterwege blijven en komt zij toe aan de vraag of de onrechtmatigheid van de eerste maatregel doorwerkt in de tweede maatregel. Van een dergelijke erkenning is in dit geval echter geen sprake.

4.7. De rechtbank heeft in dit geval ten onrechte overwogen dat de eerste maatregel onrechtmatig is en vervolgens dat deze onrechtmatigheid doorwerkt in de tweede maatregel.

De conclusie van het hoger beroep

5. Het hoger beroep is gegrond. Wat de minister heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 3 december 2024 in zaak nr. NL24.45895;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Schipper

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025

872-1111

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. M. Soffers
  • mr. M. den Heyer

Griffier

  • mr. D.I. Schipper

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?