ECLI:NL:RVS:2025:5955

ECLI:NL:RVS:2025:5955, Raad van State, 10-12-2025, 202302272/1/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 202302272/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0024779 BWBR0027464 BWBR0037885 BWBR0043660

Samenvatting

Bij besluit van 21 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wunseradiel aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting op het perceel [locatie 1] te Oosthem van een melkrundveehouderij naar een geitenhouderij. Voor de omschakeling wordt gebruikgemaakt van de bestaande stallen. De bezetting na de verandering bestaat uit 721 melkgeiten (vanaf 1 jaar oud), 220 opfokgeiten (61 dagen tot 1 jaar oud) en 11 opfokgeiten en afmestlammeren (tot en met 60 dagen oud). Er worden ook 7 schapen en 4 paarden gehouden. Voor het perceel is in het verleden in januari 1992 een melding gedaan in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen Hinderwet. In de inrichting mogen 64 koeien en 44 stuks jongvee worden gehouden. [appellant A] woont op het perceel [Locatie 2] en [appellante B] op het perceel [Locatie 3]. [appellante B] exploiteert op dit perceel een kleinschalige kinderopvang.

Uitspraak

202302272/1

Datum uitspraak: 10 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellante B], wonend in Oosthem, gemeente Súdwest-Fryslân,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 28 februari 2023 in zaak nr. 22/1393 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wunseradiel, thans: Súdwest-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting op het perceel [locatie 1] te Oosthem (hierna: het perceel) van een melkrundveehouderij naar een geitenhouderij.

Bij besluit van 23 maart 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellante B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellante B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 maart 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellante B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2025, waar [appellant A] en [appellante B], bijgestaan door mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat in Haarlem, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C. Freese, zijn verschenen.

Overwegingen

Vooraf

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 april 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Bij het besluit van 21 september 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de inrichting op het perceel van een melkrundveehouderij naar een geitenhouderij. Voor de omschakeling wordt gebruikgemaakt van de bestaande stallen. De bezetting na de verandering bestaat uit 721 melkgeiten (vanaf 1 jaar oud), 220 opfokgeiten (61 dagen tot 1 jaar oud) en 11 opfokgeiten en afmestlammeren (tot en met 60 dagen oud). Er worden ook 7 schapen en 4 paarden gehouden. Voor het perceel is in het verleden in januari 1992 een melding gedaan in het kader van het Besluit melkrundveehouderijen Hinderwet. In de inrichting mogen 64 koeien en 44 stuks jongvee worden gehouden.

De omgevingsvergunning is verleend voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij een algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo in samenhang gelezen met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Deze toestemming is een zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets (hierna: OBM).

3. [appellant A] woont op het perceel [Locatie 2] en [appellante B] op het perceel [Locatie 3]. [appellante B] exploiteert op dit perceel een kleinschalige kinderopvang.

Beoordeling van het hoger beroep

Zorgvuldigheidsbeginsel

4. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Zij wijzen er in dit verband op dat aan het besluit om een omgevingsvergunning te verlenen een advies van de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (hierna: de FUMO) van 10 september 2021 ten grondslag is gelegd dat fouten bevat. Uit verschillende onderdelen uit dat advies blijkt dat is geknipt en geplakt uit een eerder m.e.r.-beoordelingsbesluit uit 2020 ten behoeve van een uitbreiding van een geitenhouderij aan de Hegedyk in Raerd, dat ten onrechte rekening is gehouden met het in gebruik nemen van een emissiearme stal, dat onjuist wordt geciteerd uit een GGD-advies en geen rekening is gehouden met de kinderopvang op het perceel [Locatie 3], aldus [appellant A] en [appellante B].

4.1. In de reactienota, die naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften aan de commissie bezwaarschriften van de gemeente Súdwest-Fryslân is verzonden, is het college ingegaan op het door [appellant A] en [appellante B] aangevoerde over de fouten in de advisering door de FUMO. De FUMO heeft vervolgens op verzoek van het college bij brief van 24 januari 2022 een nadere reactie gegeven en is ingegaan op het door [appellant A] en [appellante B] aangevoerde over de fouten en onzorgvuldigheden in het advies. In de reactienota is ook ingegaan op het door [appellant A] en [appellante B] aangevoerde over het niet in gebruik nemen van een emissiearme stal en op de gevolgen voor de kinderopvang van [appellante B]. Deze stukken maken deel uit van het besluit op bezwaar. Het college is in bezwaar met de aanvullende motivering en het nadere advies van de FUMO dus op de door [appellant A] en [appellante B] gestelde onzorgvuldigheden ingegaan. De onzorgvuldigheden in het FUMO advies van 10 september 2021 zijn in bezwaar dus onderkend en door het college hersteld. De rechtbank heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar op dit punt in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Het betoog slaagt niet.

GGD-adviezen

5. [appellant A] en [appellante B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen milieueffectrapport (hierna: MER) hoeft te worden gemaakt vanwege de mogelijke gezondheidsrisico’s van het project. In dat verband wijzen zij op de door de GGD Fryslân uitgebrachte adviezen van 7 juni 2021 en 26 augustus 2021 (hierna: de GGD-adviezen), waaraan het college volgens hen onvoldoende gewicht heeft toegekend. Zij wijzen erop dat de GGD heeft geadviseerd om geen uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen toe te staan in een straal van 2 km van gevoelige bestemmingen, vanwege het verhoogde risico op longontsteking. In het bijzonder wordt gewezen op de gevolgen voor de door [appellante B] geëxploiteerde kinderopvang.

5.1. Wat door [appellant A] en [appellante B] in hoger beroep is aangevoerd komt in de kern neer op een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling ziet in wat door hen in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om anders te oordelen dan wat de rechtbank heeft gedaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6.2 en 6.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

De Afdeling voegt daaraan toe dat het in dit geval gaat om de aanvraag voor een OBM. Dat betekent dat het college bij de beoordeling van deze aanvraag slechts moet bezien of het nodig is een MER te maken. Dat staat in artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor in samenhang gelezen met artikel 2.17 van de Wabo. Het college heeft bij zijn besluit of een MER moet worden gemaakt de milieueffecten van de beoogde geitenhouderij op de kinderopvang van [appellante B] betrokken en ook daarvoor geldt dat nog geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten over de oorzaak van de gezondheidsrisico’s bestaan die maken dat een MER moet worden gemaakt. De vrees van [appellante B] dat de komst van de geitenhouderij gevolgen heeft voor de exploitatie van haar kinderopvang kan en mag het college niet bij zijn oordeel over of een OBM wordt verleend betrekken. Deze gevolgen hebben namelijk geen betrekking op de vraag of een MER moet worden gemaakt. Voor zover [appellant A] en [appellante B] vrezen voor gevolgen voor de exploitatie van de kinderopvang, is dat dus geen omstandigheid die onderdeel is van het beoordelingskader voor een OBM zoals hier aan de orde. Het college mag de OBM op basis van artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor in samenhang gelezen met artikel 2.17 van de Wabo namelijk niet weigeren op de grond dat de geitenhouderij gevolgen zou hebben voor de exploitatie van de kinderopvang.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamphorst-Timmer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025

776

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.D. Kamphorst-Timmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Milieurecht Totaal 2025/7913
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?