202407372/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats] (Marokko),
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 30 oktober 2024 in zaak nr. 24/3422 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 13 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen op het verzoek van [appellante] tot herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012 aan haar een compensatie van € 103.230,00 toegekend.
Bij besluit van 18 april 2024 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 september 2025, waar [appellante] en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellante] is erkend als gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft op 9 februari 2021 een verzoek gedaan tot herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012. De Dienst Toeslagen heeft in het kader van de integrale beoordeling vastgesteld dat er sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen en heeft [appellante] een compensatiebedrag van € 103.230,00 toegekend. Dit bedrag heeft betrekking op de toeslagjaren 2007 tot en met 2010, met uitzondering van december 2010. Voor de maand december van 2010 en de jaren 2011 en 2012 heeft de Dienst Toeslagen geen compensatie toegekend. Het bezwaar van [appellante] tegen dit besluit heeft de Dienst Toeslagen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Nadere stukken voor zitting
2. De Dienst Toeslagen heeft op vrijdag 26 september 2025, vier dagen voor de zitting, een nader stuk overgelegd. Dit betreft een op 10 december 2024 door [appellante] ondertekende vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is het sluitstuk van de zogenoemde ‘regieroute’. De regieroute is een van de twee wegen die een gedupeerde ouder kan bewandelen om aanvullende compensatie te krijgen voor werkelijk geleden schade, als bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht).
2.1. De Afdeling heeft op de zitting met partijen gesproken over de vraag of de Dienst Toeslagen in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld door dit stuk pas zo kort voor de zitting over te leggen. [appellante] heeft op de zitting toegelicht dat zij zich genoodzaakt zag om de vaststellingsovereenkomst te tekenen, gelet op haar nijpende financiële situatie. Zij kan zich echter niet vinden in de toegekende compensatie en is inmiddels een klachtprocedure begonnen. De Dienst Toeslagen heeft hierover geen nadere informatie kunnen geven.
2.2. Op de vraag of het niet mogelijk was om dit stuk eerder over te leggen heeft de vertegenwoordiger van de Dienst Toeslagen geantwoord dat de vaststellingsovereenkomst pas op 26 september 2025 bekend werd bij de afdeling bezwaar en beroep. Omdat de vaststellingsovereenkomst wordt afgehandeld door een andere afdeling, is het voor de afdeling bezwaar en beroep moeilijk om hiervan op de hoogte te raken.
2.3. Gelet op de discussie die tussen partijen op dit punt bestaat, ziet de Afdeling zich genoodzaakt om het nadere stuk van de Dienst Toeslagen buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde. Met de late indiening heeft de Dienst Toeslagen [appellante] belemmerd om voldoende te reageren op de betekenis van de vaststellingsovereenkomst voor deze procedure. De Afdeling ziet in wat de Dienst Toeslagen naar voren heeft gebracht geen rechtvaardiging dat dit stuk niet eerder kon worden overgelegd.
Beoordeling van het hoger beroep
3. In geschil is of de Dienst Toeslagen gehouden was om ook voor de periode december 2010 tot en met 2012 compensatie toe te kennen wegens vooringenomen handelen en of de Dienst Toeslagen een dwangsom heeft verbeurd.
Kan [appellante] aanspraak maken op compensatie voor de periode december 2010 tot en met 2012?
4. De Dienst Toeslagen heeft het verzoek om compensatie van [appellante] voor de periode december 2010 tot en met 2012 afgewezen. Hoewel de Dienst Toeslagen erkent dat hij ook gedurende deze periode vooringenomen heeft gehandeld, komt [appellante] op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht niet in aanmerking voor compensatie. [appellante] ontving van 24 november 2010 tot en met 31 mei 2012 namelijk een uitkering op basis van de Ziektewet. Omdat niet is gebleken dat zij in die periode een re-integratietraject heeft gevolgd, kon [appellante] volgens de Dienst Toeslagen gedurende die periode evident geen aanspraak maken op kinderopvangtoeslag.
4.1. [appellante] heeft dit niet weersproken, maar stelt zich op het standpunt dat haar ziekte het gevolg was van het handelen van de Dienst Toeslagen. Hoewel de Afdeling begrijpt dat dit voor [appellante] een lastige periode is geweest waarvan zij nog tot op de dag van vandaag de gevolgen ondervindt, betekent dit niet dat het besluit van de Dienst Toeslagen op dit punt niet juist is. De regels op grond waarvan een ouder aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag zijn wettelijk vastgelegd. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan [appellante] tijdens deze periode wel aanspraak kon maken op kinderopvangtoeslag. Op de zitting heeft de Dienst Toeslagen hieraan toegevoegd dat [appellante] na mei 2012 geen nieuwe aanvraag voor kinderopvangtoeslag heeft gedaan, waardoor zij over de maanden juni tot en met december 2012 ook evident geen aanspraak had op kinderopvangtoeslag.
Het betoog slaagt niet.
Kan [appellante] aanspraak maken op een verbeurde dwangsom?
5. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] zo dat zij zich op het standpunt stelt dat de Dienst Toeslagen in deze procedure meermaals te laat heeft beslist, bijvoorbeeld op haar aanvraag en op haar bezwaar, en dat zij daarom aanspraak moet kunnen maken op een dwangsom wegens niet-tijdig beslissen.
5.1. Als een bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn beslist, verbeurt het bestuursorgaan op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is. Een bestuursorgaan is in gebreke twee weken na de dag waarop het een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
5.2. [appellante] heeft de Dienst Toeslagen op 28 juli 2022 in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar aanvraag van 9 februari 2021. Met de beschikking van 6 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] € 1.440,00 aan verbeurde dwangsommen toegekend.
5.3. Omdat een beslissing op haar aanvraag ook hierna uitbleef, heeft [appellante] beroep ingesteld bij de rechtbank. In de uitspraak van 17 augustus 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] gegrond verklaard en de Dienst Toeslagen opgedragen om vóór 1 juli 2024 een besluit te nemen, anders zou de Dienst Toeslagen opnieuw een dwangsom verbeuren. Bij uitspraak van 17 april 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1615) heeft de Afdeling die uitspraak vernietigd, omdat de Dienst Toeslagen al op 13 juni 2023 een beslissing had genomen op de aanvraag van [appellante].
5.4. Omdat de Dienst Toeslagen op 13 juni 2023 alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag van [appellante] en er op dat moment geen (gerechtelijke) dwangsom wegens niet-tijdig beslissen was opgelegd, kan [appellante] over de periode tussen 6 december 2022 en 13 juni 2023 geen aanspraak maken op een verbeurde dwangsom.
5.5. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. M.M. Kaajan en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1064