202303378/1/R1.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Geldermalsen Vastgoed B.V., gevestigd in Geldermalsen, gemeente West Betuwe,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 april 2023 in zaak nr. 22/1185 in het geding tussen:
Geldermalsen Vastgoed B.V.
en
het college van burgemeester en wethouders van West Betuwe.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2021 heeft het college geweigerd aan Geldermalsen Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning te verlenen voor het uitbreiden van het bedrijfsgebouw en het verhogen van het dak van een bedrijfshal op het perceel Poppenbouwing 23 in Geldermalsen.
Bij besluit van 18 januari 2022 heeft het college naar aanleiding van het door Geldermalsen Vastgoed B.V. daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 25 januari 2021 herroepen en opnieuw geweigerd om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Bij uitspraak van 19 april 2023 heeft de rechtbank het door Geldermalsen Vastgoed B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Geldermalsen Vastgoed B.V. hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geldermalsen Vastgoed B.V. heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 29 oktober 2025, waar Geldermalsen Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.W. Rademaker, zijn verschenen.
Overwegingen
Vooraf
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. De aangevraagde omgevingsvergunning heeft betrekking op een gedeelte van de bedrijfshal aan de voorzijde van een bedrijfsverzamelgebouw en ziet op het uitbreiden van de oppervlakte daarvan en het verhogen van het dak. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijventerreinen", omdat met het bouwplan het maximale bebouwingspercentage van 60% in artikel 4.2.3 van de planregels behorende bij de bestemming "Bedrijventerrein" wordt overschreden. Partijen zijn het daarover eens. In artikel 4.3.3 van de planregels is een mogelijkheid opgenomen om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college wil van deze mogelijkheid geen gebruik maken, omdat het onder meer vindt dat de uitbreiding leidt tot een onevenredige beperking van de bereikbaarheid van andere bedrijven.
De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het geen gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo van het bestemmingsplan af te wijken en heeft het beroep van Geldermalsen Vastgoed B.V. ongegrond verklaard. Geldermalsen Vastgoed B.V. kan zich niet met deze uitspraak verenigen.
Beoordeling van het hoger beroep
3. Geldermalsen Vastgoed B.V. betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college wel gebruik kon maken van zijn bevoegdheid in artikel 4.3.3. van de planregels van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein" om van dat bestemmingsplan af te wijken. In dat verband voert zij aan dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het verlenen van de omgevingsvergunning leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van andere bedrijven in het bedrijfsverzamelgebouw, als bedoeld in artikel 4.3.3, aanhef en onder c, van de planregels. Geldermalsen Vastgoed B.V. wijst erop dat het evident is dat de gebruikers van de bedrijfsruimte achter haar perceel die gebruiksmogelijkheden juridisch gezien niet hebben, zodat er geen sprake kan zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden. Door deze omstandigheden mee te wegen in de beoordeling wordt zij in haar eigendomsrecht aangetast, aldus Geldermalsen Vastgoed B.V.
3.1. In artikel 4.3.3 van de planregels is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen. Met deze bepaling is aan het college de bevoegdheid toegekend om wat betreft het bebouwingspercentage van het bestemmingsplan af te wijken. Hoewel het college beleidsruimte heeft om te beslissen of het al dan niet gebruik zal maken van die bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, mag de toepassing van die bevoegdheid alleen plaatsvinden als wordt voldaan aan de voorwaarden die de planwetgever daaraan in artikel 4.3.3, onder a tot en met c, van de planregels heeft gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank in dat kader terecht overwogen dat het college terecht geen toepassing heeft gegeven aan de afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.3.3 van de planregels, omdat volgens het college niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 4.3.3, aanhef en onder c, van de planregels. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.
Het college heeft zich onder verwijzing naar een advies van een verkeerskundige van de gemeente op het standpunt gesteld dat na het realiseren van de aangevraagde uitbreiding van het gebouw de gebruiksmogelijkheden van het gedeelte van het pand aan de achterzijde van het bedrijfsverzamelgebouw onevenredig worden aangetast. De manoeuvreerruimte voor standaardvrachtwagens zal na het realiseren van de uitbreiding krap zijn. Het college heeft er daarnaast op gewezen dat dit manoeuvreren gevaarlijk is voor mensen die daarbij betrokken zijn. Verder heeft het college zich onder verwijzing naar een advies van een verkeerskundige van de gemeente op het standpunt gesteld dat de achterzijde van het pand na realisering van de uitbreiding niet meer kan worden bereikt door exceptioneel vervoer. Transporten met bredere vrachten zijn ook essentieel voor een onderneming die ten tijde van het besluit op bezwaar gevestigd was in één van de achtergelegen bedrijfsunits van het bedrijfsverzamelgebouw.
Voor zover Geldermalsen Vastgoed B.V. heeft gesteld dat het college ten onrechte ervan is uitgegaan dat de gebruikers van de percelen aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw gebruik mogen maken van het perceeldeel dat in eigendom is bij Geldermalsen Vastgoed B.V., omdat civielrechtelijk daartoe geen recht zou bestaan, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, het aan de burgerlijke rechter en niet aan de bestuursrechter is om dat vast te stellen. Niet in geschil is dat door de gebruikers van het perceel aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw ten tijde van het besluit op bezwaar feitelijk gebruik werd gemaakt van het perceeldeel dat in eigendom is bij Geldermalsen Vastgoed B.V. voor (groot) vrachtverkeer. Ook heeft Geldermalsen Vastgoed B.V. geen stukken in het geding gebracht waaruit evident volgt dat zij anderen het gebruik van dit perceeldeel heeft verboden. Het college mocht daarom de omstandigheid dat het perceeldeel dat in eigendom is bij Geldermalsen Vastgoed B.V. werd gebruikt voor de ontsluiting van de achterliggende perceeldelen als uitgangspunt nemen bij de beoordeling of wordt voldaan aan artikel 4.3.3, onder c, van de planregels. Ook in wat Geldermalsen Vastgoed B.V. overigens heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich onder de hiervoor beschreven omstandigheden niet op het standpunt, dat niet is voldaan aan sub c, van artikel 4.3.3, van de planregels, mocht stellen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en slot
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst-Timmer, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kamphorst-Timmer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
776
BIJLAGE
Bestemmingsplan "Bedrijventerreinen"
Artikel 4.3.3 Omgevingsvergunning bebouwingspercentage
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2.3, ten aanzien van het voorgeschreven bebouwingspercentage, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
a. het bebouwingspercentage mag niet meer dan 75 % bedragen;
b. er blijven voldoende laad- en losmogelijkheden en parkeervoorzieningen bestaan;
c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefmilieu en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.