202407565/1/R4.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2024 heeft het college zijn beslissing om op 27 juni 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 199,57, voor rekening van [appellant] komt.
Bij besluit van 20 november 2024 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door H. Ben Hammou, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 27 juni 2024 is aangetroffen naast de ondergrondse restafvalcontainer (hierna: de ORAC) ter hoogte van de Jan Romeinstraat 119 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar adres op het adreslabel op de doos staat.
Overtreding
2. [appellant] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. Zij stelt dat haar minderjarige dochter de doos in de portiek van het appartementengebouw waar zij woont heeft gezet. Dat heeft zij gedaan omdat zij vanwege de structurele problemen met de afvalinzameling in haar buurt gedwongen is haar afval in de portiek te plaatsen wanneer de ORAC vol is. [appellant] betwist niet dat zij verantwoordelijk is voor het handelen van haar dochter, maar betoogt dat iemand anders dan haar dochter de doos uit de portiek heeft meegenomen en naast de ORAC heeft gezet.
2.1. Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij de overtreder is. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2. Vast staat dat op 27 juni 2024 naast een ORAC ter hoogte van de Jan Romeinstraat 119 een doos is aangetroffen, die daarmee in strijd met de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden. Gelet op het op de doos aangetroffen adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos.
Ook als ervan wordt uitgegaan dat de doos in de portiek van het appartementengebouw is achtergelaten, kan [appellant] als overtreder worden aangemerkt. Doordat de doos is achtergelaten in de gemeenschappelijke portiek van het appartementengebouw, die vrij toegankelijk is voor de bewoners van de andere appartementen, heeft [appellant] de kans aanvaard dat de doos door een ander zou worden meegenomen en verkeerd ter inzameling zou worden aangeboden. Als dat is gebeurd, dan kan zij verantwoordelijk worden gehouden voor het verkeerd aanbieden van de doos.
Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college haar ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt.
Het betoog slaagt niet.
Kostenverhaal
3. [appellant] vindt het niet terecht dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor haar rekening komt. Zij voert aan dat zij een laag inkomen heeft en onder bewind staat, waardoor zij de boete niet kan betalen. Ook haar dochter kan de boete niet betalen vanwege haar lage inkomen.
3.1. Het bedrag van € 199,57 dat het college voor haar rekening heeft gebracht, is geen boete maar een gedeelte van de daadwerkelijk door het college gemaakte kosten. Doordat de doos verkeerd is aangeboden, heeft het college kosten moeten maken voor het verwijderen daarvan. In beginsel behoren die kosten voor rekening van de overtreder te komen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft het college [appellant] terecht aangemerkt als overtreder.
De door [appellant] gestelde omstandigheid dat zij het bedrag niet kan betalen, is geen omstandigheid waardoor deze kosten niet voor haar rekening zouden moeten komen. Indien [appellant] het bedrag niet ineens kan betalen, kan zij het college verzoeken om een betalingsregeling te treffen waarbij zij het bedrag in termijnen kan betalen. Dat haar dochter het bedrag niet kan betalen is evenmin een omstandigheid waardoor deze kosten niet voor [appellant]’s rekening zouden moeten komen. Aangezien het besluit is gericht aan [appellant] en niet aan haar dochter, staat de financiële situatie van haar dochter in deze procedure niet ter beoordeling.
Gelet op het voorgaande bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de door het college gemaakte kosten redelijkerwijze niet of niet geheel voor rekening van [appellant] behoren te komen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Schmidt, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schmidt
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1133