202407712/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 november 2024 in zaak nr. 23/766 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2022 heeft Sociale Banken Nederland een aanvraag van [appellant] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) gedeeltelijk afgewezen.
Bij besluit van 22 februari 2023 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 november 2024 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft verzocht om overname van een aantal schulden. In geschil is of de minister terecht heeft geweigerd een schuld van € 3.050,00 aan [persoon 1] en een schuld van € 5.525,00 aan de [persoon 2] en [persoon 3] over te nemen.
2. De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep van belang - overwogen dat op het verzoek van [appellant] de Wht van toepassing is, dat de rechter die bepalingen niet kan toetsen aan het rechtszekerheidsbeginsel, en dat de minister de schulden terecht niet heeft overgenomen, omdat niet is gebleken dat de schulden vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden. Er is daarom niet voldaan aan de vereisten uit artikel 4.1 van de Wht voor het overnemen van private schulden. Volgens de rechtbank hoefde de minister in de omstandigheden van [appellant] geen aanleiding te zien om te hardheidsclausule toe te passen.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij hierover ook in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 en 19 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd en waarin de rechtbank terecht heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040.
De gronden slagen niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
488-1081