ECLI:NL:RVS:2025:5991

ECLI:NL:RVS:2025:5991, Raad van State, 10-12-2025, 202405432/1/R2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 202405432/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 7 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maastricht een omgevingsvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het verbouwen van de kantoren tot 9 woningen op het achterterrein aan de [locatie] te Maastricht. [vergunninghouder] is initiatiefnemer van het plan om 9 woningen te realiseren in een voormalig kantoorpand op het achterterrein aan de [locatie] in Maastricht. Bij besluit van 23 januari 2020 was door het college eerst een omgevingsvergunning verleend om 10 woningen te realiseren in het voorste pand op dat perceel en 14 woningen in het pand op het achterterrein. Het college heeft dat besluit na bezwaren van omwonenden gedeeltelijk herroepen en op 6 oktober 2020 met instemming van [vergunninghouder] alleen een omgevingsvergunning verleend voor 10 woningen in het voorste pand.

Uitspraak

202405432/1/R2.

Datum uitspraak: 10 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend in Maastricht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 juli 2024 in zaak nr. 22/753 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2021 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [vergunninghouder] voor het verbouwen van de kantoren tot 9 woningen op het achterterrein aan de [locatie] te Maastricht.

Bij besluit van 14 februari 2022 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 7 september 2021 onder aanvulling van de motivering en met de toevoeging van twee voorschriften in stand te laten.

Bij uitspraak van 18 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 september 2025, waar [appellant] en [appellant A] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans, C.W.H. Apers en N.J.M. Pouw zijn verschenen. Verder is op de zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.W. Adriaansens, advocaat in Utrecht, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 januari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [vergunninghouder] is initiatiefnemer van het plan om 9 woningen te realiseren in een voormalig kantoorpand op het achterterrein aan de [locatie] in Maastricht. Bij besluit van 23 januari 2020 was door het college eerst een omgevingsvergunning verleend om 10 woningen te realiseren in het voorste pand op dat perceel en 14 woningen in het pand op het achterterrein. Het college heeft dat besluit na bezwaren van omwonenden gedeeltelijk herroepen en op 6 oktober 2020 met instemming van [vergunninghouder] alleen een omgevingsvergunning verleend voor 10 woningen in het voorste pand. Nadien is op een nieuwe aanvraag van [vergunninghouder] bij besluit van 7 september 2021 de hier in geding zijnde omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van 9 woningen in de bebouwing op het achterterrein op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo voor het bouwen van een bouwwerk en handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan "Maastricht Zuidwest" (hierna: het bestemmingsplan). Aan de omgevingsvergunning heeft het college een tweetal voorschriften verbonden die inhouden dat vier woningen moeten worden verhuurd in de categorie sociale huur voor starters en internationale werknemers en vijf grondgebonden woningen moeten worden verhuurd in de categorie middenhuur voor senioren. [appellant] en anderen zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning omdat zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

2.1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom het realiseren van het bouwplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het bouwplan niet in strijd is met het bestendig beleid ‘Wonen achter wonen’ van het college, omdat de woningen op het achterterrein rechtstreeks bereikbaar zijn vanaf de Lage Kanaaldijk. De rechtbank heeft verder overwogen dat niet is gebleken dat het college de brandveiligheid niet heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.

Gronden van het hoger beroep

Niet gevoegd behandelen van zaken door de rechtbank

4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte hun zaak niet gevoegd heeft behandeld met hun andere zaak die ziet op de omgevingsvergunning van 6 oktober 2020 voor het realiseren van 10 woningen in het voorste pand aan de [locatie]. Hierover voeren zij aan dat de rechtbank eerst had toegezegd om de zaken gevoegd te behandelen, maar dat op die toezegging is teruggekomen. Dit is volgens hen in strijd met een behoorlijke procesorde.

4.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ervoor heeft kunnen kiezen om de zaken niet gevoegd te behandelen. De rechtbank is bevoegd om met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling te voegen. De rechtbank is daartoe evenwel niet gehouden. Het gaat hier om een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid van de eerste rechter is. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor.

Het betoog slaagt niet.

Goede ruimtelijke ordening

5. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. Hierover voeren zij aan dat het realiseren van 9 woningen in het voormalige kantoorgebouw op het achterterrein een onaanvaardbare verslechtering van hun woon- en leefklimaat is, omdat dit zorgt voor een toename van de woondruk. Daarbij voeren zij aan dat de woningtypen sociale huur voor starters en internationale werknemers en middenhuur voor senioren zorgen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat, omdat deze woningentypen niet passen in de omgeving.

Daarnaast voeren [appellant] en anderen aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat door de vergunningverlening in aparte procedures geen integrale ruimtelijke beoordeling van de gevolgen van de woningen in het voorste pand en de bebouwing op het achterterrein tezamen heeft plaatsgevonden.

Ook voeren zij aan dat er door het realiseren van 9 woningen in de bebouwing op het achterterrein sprake is van ‘wonen achter wonen‘, wat in strijd is met het bestendig beleid van het college. Er worden woningen achter woningen gerealiseerd en de woningen zijn volgens hen niet bereikbaar vanaf het openbaar gebied, omdat het achterterrein met een hek is afgesloten.

5.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

5.2. Het college heeft zich in het besluit van 14 februari 2022 op het standpunt gesteld dat de hoeveelheid bebouwing op het perceel door sloop wordt verminderd, het bouwplan een verbouwing van bestaande gebouwen betreft die past in een woonbuurt, de woningtypologie voorziet in een behoefte in de buurt en dat sprake is van een groenere inrichting. Parkeren zal op eigen terrein plaatsvinden via de hoofdontsluitingsweg naar de Lage Kanaaldijk.

De rechtbank heeft gelet hierop terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college zich met deze motivering op het standpunt kon stellen dat een toename van 9 woningen niet leidt tot een zodanige woondruk op de omgeving dat daardoor geen sprake meer is van een goed woon- en leefklimaat. Zoals de rechtbank heeft overwogen is het enkele feit dat er woningen worden toegevoegd en dat [appellant] en anderen vinden dat er een te hoge woondruk ontstaat onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van een zodanige achteruitgang van hun woon- en leefklimaat, dat dit in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening.

[appellant] en anderen kunnen niet worden gevolgd in hun betoog dat door de vergunningverlening in twee aparte procedures geen integrale ruimtelijke beoordeling van de gevolgen van de woningen in het voorste pand en de woningen op het achterterrein tezamen heeft plaatsgevonden. Zoals het college heeft toegelicht zijn de gevolgen van het bouwplan voor de 9 woningen in de bebouwing op het achterterrein beoordeeld met inachtneming van de reeds vergunde woningbouw voor de 10 woningen in het voorste pand. Het college heeft ook gemotiveerd waarom het eerdere bouwplan voor 14 woningen in de bebouwing op het achterterrein niet aanvaardbaar was en het bouwplan voor 9 woningen daar wel. Daarbij heeft het college er op gewezen dat het nu voorliggende bouwplan naast gedeeltelijke sloop voorziet in 5 woningen minder, een op de behoefte afgestemde typologie kent, meer openheid op het perceel en een betere bereikbaarheid, hetgeen de woonkwaliteit ten goede komt. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de gevolgen van de woningbouw door het college onvoldoende zijn bezien.

Verder heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestendig beleid ‘wonen achter wonen’ van het college, omdat de 9 woningen rechtstreeks bereikbaar zijn vanuit openbaar gebied vanaf de weg aan de Lage Kanaaldijk. De woningen zijn gesitueerd op een binnenterrein, hebben een eigen entree en zijn daarmee niet slechts toegankelijk via het gebouw aan de voorzijde. De woningen zijn evenmin gesitueerd achter een hoofdgebouw en zijn ook niet aan te merken als bijgebouwen bij het hoofdgebouw. Voorts is niet betwist dat de maat van het perceel groot genoeg is voor een woonhofje. Er is daarom geen sprake van zelfstandige woningen in bijgebouwen op een achtererf als bedoeld in het beleid "wonen achter wonen". Op de zitting heeft het college verder toegelicht dat het gaat om het type ‘woonhof’, waarvan er meerdere zijn in Maastricht. Daarnaast heeft het college toegelicht dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning is uitgegaan van een achterterrein dat bereikbaar is vanaf de openbare weg, omdat het elektronische hek aan de [locatie] open moet zijn. Mocht het achterterrein in de avond en nacht worden afgesloten, dan moet er volgens het college een bellenbord gesitueerd zijn op de plek waar de woningen vanaf de openbare weg bereikbaar zijn, zodat het hek indien nodig geopend kan worden. De Afdeling kan de stelling van [appellant] en anderen dat het achterterrein is afgesloten dan ook niet volgen.

Het betoog slaagt niet.

Brandveiligheid

6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brandveiligheid niet in het geding is. Hierover voeren zij aan dat de afstand van de openbare weg tot de woningen op het achterterrein te groot is voor opstelplaatsen van brandweerauto’s. Daarbij komt dat de toegangsweg te smal is en daarom geen toegang biedt voor een brandweerauto tot de bebouwing op het achterterrein. Daarom wordt niet voldaan aan de eisen voor bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen in de artikelen 6.37 en 6.38 uit het Bouwbesluit 2012 (hierna: het Bouwbesluit).

Ook betogen zij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroepsgrond over de brandveiligheid, als die zou slagen, zou stranden op artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Hierover voeren zij aan dat hun woningen en schuurtjes dichtbij de bebouwing op het achterterrein aan de [locatie] staan en dat zij een belang hebben bij de bespreking van hun beroepsgrond over brandveiligheid.

6.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

6.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.38, strekken de brandveiligheidsregels uit het Bouwbesluit tot bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van de gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren en gebruikers van belendende gebouwen. Daarbij is van belang dat de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit volgens de nota van toelichting (Stb. 2011, 416, blz. 146) uitdrukkelijk alleen het voorkomen van slachtoffers en het voorkomen van uitbreiding van een brand naar een ander perceel ten doel hebben.

6.3. De Afdeling overweegt dat de artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit gaan over brandveiligheid, omdat die bepalingen onder meer gaan over de breedte van de verbindingsweg voor de brandweer en de afstand van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen tot gebouwen.

[appellant] en anderen wonen bijna allen rondom de bebouwing op het achterterrein aan de [locatie. Zij grenzen met hun percelen en gebouwen bijna allen aan het perceel aan de [locatie] waardoor hun percelen zijn aan te merken als belendende percelen. De artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit strekken dus tot bescherming van hun belangen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de beroepsgrond over de brandveiligheid zou stranden op artikel 8:69a van de Awb.

Dit leidt echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, omdat de rechtbank in een overweging daarvoor al terecht heeft geoordeeld dat het betoog niet slaagt, omdat de aanvraag door het college is getoetst aan het Bouwbesluit en aan het met de aanvraag overgelegde memo ‘Brandveiligheid. Inzetdiepte [locatie] te Maastricht’ van bureau DMS van 9 februari 2021 (hierna: het memo). Hierbij heeft de rechtbank, met verwijzing naar het memo, terecht overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de brandveiligheid niet in het geding is. Weliswaar wordt niet voldaan aan de eisen voor verbindingswegen in de artikelen 6.37 en 6.38 van het Bouwbesluit 2012, maar er kan volgens dit memo een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt gecreëerd door middel van de aanleg van een droge blusleiding of een aanvalskrat met twee extra brandslangen op het achterterrein zelf. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat het college zich niet op dit memo kon baseren omdat de toegang tot het achterterrein te smal is en door een hek is afgesloten volgt de Afdeling hen niet. In het memo is met de alternatieve maatregelen juist onderkend dat brandweervoertuigen het achterterrein niet kunnen bereiken en op de openbare weg opgesteld moeten worden. In de vergunde situatie is het college er om die reden ook terecht van uitgegaan dat het achterterrein openbaar toegankelijk is voor brandweerlieden. Daarbij is het uitgangspunt dat het hekwerk, indien dit gesloten is, snel en gemakkelijk geopend moet kunnen worden en dit is volgens het memo ter beoordeling van het college. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het hekwerk, geen grond voor het oordeel dat het college niet mocht uitgaan van een snelle en makkelijke bereikbaarheid van het achterterrein.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Boermans

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025

429-1135

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:11

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 8:14

1. De bestuursrechter kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen.

2. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting.

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]

Bouwbesluit 2012

Artikel 6.37

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

- op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

- op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

- op een lichte industriefunctie uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

- indien de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt, of

- indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid vereist.

3. Tenzij het bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening anderszins bepaalt heeft een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid:

a. een breedte van ten minste 4,5 meter;

b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 meter, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 meter, en

d. een doeltreffende afwatering.

4. Een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte en breedte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5. Hekwerken die een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Artikel 6.38

1. Bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zijn zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

- op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

- op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

- een lichte industriefunctie uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090, of

- indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen opstelplaatsen als bedoeld in het eerste lid vereist.

3. De afstand tussen een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid en een brandweeringang als bedoeld in artikel 6.36, eerste lid, is ten hoogste 40 m.

4. Een opstelplaats voor brandweervoertuigen als bedoeld in het eerste lid is over de voorgeschreven hoogte en breedte als bedoeld in artikel 6.37, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5. Hekwerken die een opstelplaats als bedoeld in het eerste lid afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?