202206998/1/R2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant] en anderen, allen wonend in Maastricht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 19 oktober 2022 in zaken nrs. 20/2972, 20/2973, 20/2975, 20/2976, 20/2977, 20/2978, 20/2979, 20/2980, 20/2981, 20/2982, 20/2983, 20/2984, 20/2985 en 20/2986 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [partij] voor het verbouwen van de kantoren - spreek- en onderzoekskamers tot 24 zelfstandige woningen aan de [locatie] in Maastricht.
Bij besluit van 6 oktober 2020 heeft het college enkele bezwaarschriften van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk en de overige bezwaarschriften ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard. Verder heeft het college de vergunning gedeeltelijk herroepen voor zover het 14 woningen in het achterpand betreft, een omgevingsvergunning verleend voor de 10 woningen in het voorpand, aan de openbare weg, en de aanvraag voor de 14 woningen in het achterpand alsnog geweigerd.
Bij uitspraak van 19 oktober 2022 heeft de rechtbank de door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 september 2025, waar [appellant] en [andere appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.E.J.M. Vorstermans, C.W.H. Apers en N.J.M. Pouw zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.W. Adriaansens, advocaat in Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 28 september 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] is initiatiefnemer van het plan om 24 woningen te realiseren in een voormalig kantoorcomplex aan de [locatie] in Maastricht. In het primaire besluit van 23 januari 2020 is door het college een omgevingsvergunning verleend om 10 woningen te realiseren in het voorste pand en 14 woningen in de bebouwing op het achterterrein van het perceel. Het college heeft dat besluit na bezwaren van omwonenden gedeeltelijk herroepen en met instemming van [partij] alleen een omgevingsvergunning verleend voor 10 woningen in het voorste pand aan de [locatie]. Deze omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo voor het bouwen van een bouwwerk en handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan "Maastricht Zuidwest" (hierna: het bestemmingsplan). [appellant] en anderen wonen in de nabijheid van de [locatie] en zijn het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
2.1. De relevante regels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het oorspronkelijke bouwplan voor 24 woningen bestaat uit onderdelen die in functioneel én bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden en dat het in heroverweging de omgevingsvergunning voor alleen de 10 woningen in het voorste pand heeft kunnen verlenen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het college de belangen van [appellant] en anderen in voldoende mate heeft betrokken bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft de rechtbank overwogen dat in het beleid van het college is opgenomen dat deze locatie valt binnen verstedelijkt gebied en dat deze locatie feitelijk gezien ook in een dergelijk gebied is gelegen. Het plan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend past naar het oordeel van de rechtbank dan ook binnen de omgeving waarin wonen centraal staat.
Gronden van het hoger beroep
Ingetrokken beroepsgrond
4. [appellant] en anderen hebben hun hoger beroepsgrond over de ontvankelijkheid van [persoon A] en [persoon B] op de zitting ingetrokken.
Niet gevoegd behandelen van zaken door de rechtbank
5. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte hun zaak niet gevoegd heeft behandeld met hun andere zaak die ziet op een omgevingsvergunning van 7 september 2021 voor het realiseren van 9 woningen in de bebouwing op het achterterrein aan de [locatie]. Hierover voeren zij aan dat de rechtbank eerst had toegezegd om de zaken gevoegd te behandelen, maar dat op die toezegging is teruggekomen. Dit is volgens hen in strijd met een behoorlijke procesorde.
5.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ervoor heeft kunnen kiezen om de zaken niet gevoegd te behandelen. De rechtbank is bevoegd om met toepassing van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling te voegen. De rechtbank is daartoe evenwel niet gehouden. Het gaat hier om een procesrechtelijke beslissing die in beginsel de verantwoordelijkheid van de eerste rechter is. Behoudens uitzonderingssituaties kunnen hiertegen gerichte gronden niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Een dergelijke uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor. Vergelijk (onder 4.1. van) de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:875.
Het betoog slaagt niet.
Wijze van vergunningverlening
6. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het herroepen en alsnog weigeren van de omgevingsvergunning voor de 14 woningen in de bebouwing op het achterterrein, waarvoor later een nieuwe omgevingsvergunning is verleend voor 9 woningen, in strijd is met een goede procesorde en een goede ruimtelijke ordening. Op de zitting hebben [appellant] en anderen toegelicht dat door deze manier van beoordelen de ruimtelijke gevolgen structureel zijn onderschat en een integrale belangenafweging is uitgebleven.
6.1. De Afdeling volgt [appellant] en anderen niet in hun betoog dat het herroepen en alsnog weigeren van de omgevingsvergunning voor de 14 woningen in de bebouwing op het achterterrein en het verlenen van een omgevingsvergunning voor de 10 woningen aan de voorzijde in het besluit van 6 oktober 2020 in strijd is met een goede procesorde en een goede ruimtelijke ordening. Het college had de omgevingsvergunning voor de 14 woningen alsnog geweigerd, omdat dit tot een onaanvaardbare verslechtering van het woon- en leefklimaat van omwonenden zou leiden. Het college kon dit doen met instemming van de aanvrager en zonder in nader overleg te treden met omwonenden, omdat deze weigering de uitkomst was van een heroverweging op grond van artikel 7:11 van de Awb naar aanleiding van bezwaren van omwonenden over het oorspronkelijke bouwplan. Zoals de rechtbank heeft overwogen bestond het oorspronkelijke bouwplan uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat in het besluit van 6 oktober 2020 de ruimtelijke gevolgen van het daarin vergunde bouwplan zijn onderschat en dat een integrale belangenafweging is uitgebleven. Dat de omgevingsvergunning voor de 14 woningen in heroverweging alsnog is geweigerd betekent nog niet dat de verlening van de omgevingsvergunning voor de 10 woningen aan de voorzijde van het perceel in het besluit op bezwaar in strijd is met de goede procesorde of een goede ruimtelijke ordening. Het college kon de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze woningen op zichzelf beoordelen en heeft dat ook gedaan. Het college hoefde daarbij niet de 9 woningen te betrekken waarvoor pas in een later stadium een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning werd ingediend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beroep tegen het besluit van 7 september 2021, waarbij alsnog een vergunning is verleend voor 9 woningen in de bebouwing op het achterterrein in deze procedure niet ter beoordeling voorligt en dat het college de belangen van [appellant] en anderen in voldoende mate heeft betrokken door de oorspronkelijk verleende vergunning gedeeltelijk te weigeren.
Het betoog slaagt niet.
Het woon- en leefklimaat
7. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verlenen van de omgevingsvergunning door het college niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. Hierover voeren zij aan dat het gebruik van het voormalige kantoorpand door de toegestane bewoning op onaanvaardbare wijze wordt geïntensiveerd en dat dit ten koste gaat van hun woon- en leefklimaat.
7.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
7.2. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft het college ter motivering dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening in het besluit van 6 oktober 2020 bij de belangenafweging betrokken de leefbaarheid en geluidsaspecten, de omstandigheid dat er geen toename is van de parkeerbehoefte, de omstandigheid dat sprake is van een gebruikswijziging die in essentie niets wijzigt aan de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw aan de voorzijde, de omstandigheid dat wonen past in de woonomgeving en de omstandigheid dat studentenhuisvesting wordt uitgesloten. Gelet hierop kon het college zich op het standpunt stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen door de woningbouw in het voormalige kantoorpand niet onaanvaardbaar wordt aangetast. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat aan het gebruik van de woningen verdere beperkingen hadden moeten worden gesteld, zoals [appellant] en anderen ter zitting hebben gesteld.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het woonbeleid
8. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met het woonbeleid in de Omgevingsvisie van het college. Zij voeren aan dat het perceel niet ligt in verstedelijkt gebied en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit wel geval is.
8.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het voorste pand aan de [locatie] in het woonbeleid van het college is gelegen in verstedelijkt gebied, waar wonen centraal staat, en dat deze locatie feitelijk gezien ook in een dergelijk gebied is gelegen, zodat het college de omgevingsvergunning niet heeft verleend in strijd met de Omgevingsvisie.
Het betoog slaagt niet.
Draagvlak
9. [appellant] en anderen voeren aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er geen draagvlak onder de omwonenden is geïnventariseerd door het college, terwijl dit wel het uitgangspunt is bij het nemen van ruimtelijke besluiten. Vanwege het ontbreken van draagvlak had het college volgens [appellant] en anderen de omgevingsvergunning moeten weigeren.
9.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1291, onder 19.4, is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling alleen mogelijk is als daarvoor draagvlak bestaat. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van die ontwikkeling moet maken. Daarbij is het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. Het college heeft toegelicht dat weliswaar waarde wordt gehecht aan draagvlak, maar dat dit niet doorslaggevend is. Verder heeft het college toegelicht dat de aanwezigheid van draagvlak onder omwonenden geen vereiste is op basis van zijn beleid bij het verlenen van een omgevingsvergunning. De conclusie is dan ook dat het college in het ontbreken van draagvlak, wat daarvan ook zij, geen reden heeft hoeven te zien om de omgevingsvergunning niet te verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Evidente privaatrechtelijke belemmering
10. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning niet had mogen worden verleend, omdat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Het realiseren van woningen in het voorste pand is volgens hen in strijd met de bepalingen uit de splitsingsakte van de Vereniging van Eigenaren (hierna: VvE), omdat enkel het gebruik van het pand als ‘kantoor’ is toegestaan. Door de VvE is volgens hen niet ingestemd met een wijziging van het gebruik.
10.1. Een zogenoemde privaatrechtelijke belemmering kan in de weg staan aan de verlening van een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. In de uitspraak van 19 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3672), heeft de Afdeling overwogen dat een privaatrechtelijke belemmering eerst evident is in evenbedoelde zin, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan is voorzien op grond die in eigendom toebehoort aan een ander en die ander niet in realisering ervan berust en er ook niet in hoeft te berusten.
10.2. De Afdeling stelt vast dat ter zitting is gebleken dat [appellant] en anderen geen eigenaar zijn van het perceel en het gebouw aan de [locatie] en ook geen lid zijn van de VvE, die ook geen beroep heeft ingesteld. Ten tijde van het besluit van 6 oktober 2020 was dan ook geen sprake van een situatie waarin zonder nader onderzoek kon worden vastgesteld dat het bouwplan is voorzien op grond die in eigendom toebehoort aan een ander en die ander niet in realisering ervan berust en er ook niet in hoeft te berusten. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien voor het oordeel dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van de omgevingsvergunning in de weg stond.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
12. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boermans
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
429-1135
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Artikel 8:14
1. De bestuursrechter kan zaken over hetzelfde of een verwant onderwerp ter behandeling voegen en de behandeling van gevoegde zaken splitsen.
2. Een verzoek daartoe kan worden gedaan tot de sluiting van het onderzoek ter zitting.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
[…]
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […]