202207062/1/R2
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante A], gevestigd in [plaats], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E], allen wonend in [woonplaats] en [appellant F], wonend in [woonplaats] (hierna: [appellant] en anderen),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 26 oktober 2022 in zaken nrs. 21/1619, 21/1779, 21/1782 in het geding tussen:
[appellant] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2021 heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van 23 cabins ten behoeve van een maatschappelijke zorgvoorziening aan de Nieuwe Dijk 3 in ’s-Hertogenbosch voor de duur van 10 jaar.
Bij besluiten van 15 juni 2021 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 26 oktober 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak samen met 202305902/1/R2 op zitting behandeld op 17 september 2025, waar [appellant] en anderen, bijgestaan of vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en [appellant B], en het college, vertegenwoordigd door mr. S.M. Schipper, advocaat in Breda, mr. J.J.H. van Goch en M.C.H.L. Verkuijlen, zijn verschenen. Verder is op de zitting Stichting Reinier van Arkel, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 september 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van 23 cabins ten behoeve van een zorgvoorziening voor langdurig verblijf aan de Nieuwe Dijk 3 in ’s-Hertogenbosch. In deze maatschappelijke zorgvoorziening wordt 24 uur per dag zorg en begeleiding verleend aan 22 kwetsbare mensen uit de gemeenten Sint-Michielsgestel, Vught, Haaren, Meierijstad, Boxtel, Zaltbommel, Maasdriel en ’s-Hertogenbosch. De mensen die verblijven in de maatschappelijke zorgvoorziening, hebben problemen op het gebied van verslaving en/of psychiatrie en/of hebben een licht verstandelijke beperking. [appellant] en anderen zijn het niet eens met het plaatsen van de 23 cabins en vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.
Zijn [appellant] en anderen belanghebbenden?
3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
Daarover voeren zij onder meer aan dat niet alleen de factoren afstand tot en zicht op het vergunde project van belang zijn, maar dat ook van belang is of er feitelijke gevolgen van enige betekenis zijn. Het maakt dan ook niet uit op welke afstand [appellant] en anderen van de projectlocatie wonen en of ze er wel of geen zicht op hebben, aangezien zij en de bewoners van de cabins in hetzelfde gebied wonen. Volgens [appellant] en anderen zijn er feitelijke gevolgen van enige betekenis, ondanks de afstand van 820 m tot 1700 m hemelsbreed van hun percelen tot aan de projectlocatie. Die gevolgen hangen samen met de specifieke problemen van de doelgroep, zoals verslavingsproblematiek. Verder geldt dat de bewoners altijd, in welke gemoedstoestand dan ook, vrij buiten de projectlocatie mogen komen. Daarbij wijzen [appellant] en anderen erop dat de doelgroep binnen de stedelijke centra niet te handhaven is en dat er daarom voor is gekozen om de doelgroep in het buitengebied te huisvesten. Ten slotte voeren [appellant] en anderen aan dat zij eerder door het college wel zijn aangemerkt als belanghebbenden, omdat zij op de hoogte zijn gebracht van de komst van de maatschappelijke zorgvoorziening door een brief van de gemeente van 30 april 2020.
[appellant] en anderen voeren specifiek over [appellant F] nog aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij belanghebbende is vanwege een door hem gepacht perceel landbouwgrond, dat grenst aan de projectlocatie. Tussen het perceel van [appellant F] en de projectlocatie ligt de openbare weg, de afstand tussen de percelen is beperkt en er bestaat vanaf het perceel van [appellant F] zicht op de projectlocatie. Volgens [appellant B] en anderen heeft de rechtbank ten onrechte de kwetsbaarheid van de op het perceel geteelde gewas niet bij haar beoordeling betrokken. Verder hebben [appellant] en anderen op de zitting toegelicht dat [appellant F] wegens de meldplicht die gepaard gaat met het telen van bepaald (kwetsbaar) gewas inmiddels zelf heeft besloten ander gewas te gaan telen waarvoor zo’n meldplicht niet geldt.
3.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
3.2. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.3. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen allemaal op een afstand van 820 m tot 1700 m hemelsbreed en via de weg 1.700 m tot 2600 m van de 23 cabins wonen, waar als gevolg van de vergunningverlening 22 bewoners kunnen wonen met een zorgindicatie. [appellant] en anderen hebben geen zicht op de cabins. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat die afstanden zo groot zijn, dat niet aannemelijk is dat [appellant] en anderen in zoverre feitelijke gevolgen van enige betekenis zullen ondervinden als gevolg van de omgevingsvergunning.
Over de gestelde overlast overweegt de Afdeling dat [appellant] en anderen weliswaar aannemelijk hebben gemaakt dat incidenten met bewoners van de maatschappelijke zorgvoorziening hebben plaatsgevonden, maar dat niet aannemelijk is geworden dat er zulke overlast heeft plaatsgevonden ten gevolge van de verleende vergunning dat dit de conclusie zou rechtvaardigen dat [appellant] en anderen een persoonlijk belang hebben bij de verleende vergunning. Voor dit oordeel neemt de Afdeling niet alleen voormelde afstanden in aanmerking, maar ook de omstandigheid dat [appellant] en anderen allen niet wonen aan de Nieuwe Dijk in ’s-Hertogenbosch, zodat de percelen niet liggen aan de meest directe ontsluitingsweg van en naar de 23 cabins. De rechtbank heeft in wat door [appellant] en anderen is aangevoerd over het gezamenlijk gebruik van hetzelfde woon- en leefgebied, terecht geen aanleiding gezien om een persoonlijk belang aan te nemen. Hun belang onderscheidt zich onvoldoende van willekeurige andere personen die ook wonen of zich ook bevinden in datzelfde gebied.
Over de brief van 30 april 2023 overweegt de Afdeling dat deze brief alleen maar een informatief karakter heeft, zodat niet op basis van die brief tot de conclusie kan worden gekomen dat [appellant] en anderen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb.
3.4. Specifiek over [appellant F] overweegt de Afdeling als volgt. [appellant F] woont niet op het volgens hem aangrenzende perceel, maar [tuinbouwbedrijf], waarvan [appellant F] enig aandeelhouder is, pacht dit perceel ten behoeve van haar agrarische bedrijf.
3.5. Belanghebbendheid wordt in beginsel bij besluiten krachtens de Wabo aangenomen bij bewoners en eigenaren, en ook bij anderszins zakelijk of persoonlijke gerechtigden van een perceel dat grenst aan het perceel waarop het betrokken besluit ziet, of dat gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. Bij zulke percelen wordt ervan uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn.
3.6. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het perceel van [appellant F] niet grenst aan het perceel waarop de cabins staan en ook niet gelijk te stellen is met een aangrenzend perceel. De percelen worden namelijk van elkaar gescheiden door meerdere kadastrale percelen, te weten de weg de Nieuwe Dijk en landbouwgronden.
3.7. De Afdeling overweegt verder dat niet aannemelijk is geworden dat de gewassenteelt op het perceel door het door de omgevingsvergunning mogelijk gemaakte gebruik van de cabins is verminderd of dat [appellant F] anderszins feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant F], zoals op de zitting is vastgesteld, uit vrees voor bijvoorbeeld naalden in zijn gewas zelf heeft besloten een ander gewas te gaan telen.
3.8. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn in de zin van artikel 1:2 van de Awb en hun bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Hadden [appellant] en anderen moeten worden gehoord?
4. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van het horen in bezwaar kon worden afgezien. Daarover voeren zij aan dat in dit geval de feiten en omstandigheden bepalend zijn voor het beoordelen van de vraag of [appellant] en anderen belanghebbenden zijn.
4.1. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb luidt:
"Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."
Artikel 7:3, aanhef en onder a, van die wet luidt:
"Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien: het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is."
4.2. De Afdeling stelt voorop dat [appellant F] op 12 mei 2021 is gehoord. Over het betoog van [appellant] en anderen, met uitzondering van [appellant F], overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat van het horen kon worden afgezien. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1627, mag van het horen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. Gelet op de omstandigheden die hiervoor onder 3.3, 4.3 en 4.4 zijn besproken, heeft het college er redelijkerwijs niet aan hoeven te twijfelen dat [appellant] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 25 januari 2021.
Het betoog slaagt niet.
Overige betogen
5. Omdat het college de bezwaren van [appellant] en anderen tegen het besluit van 25 januari 2021 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt de Afdeling niet toe aan de betogen die zij in hoger beroep hebben aangevoerd over de inhoud van dat besluit.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
680-1150