202407377/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Weda B.V., gevestigd in Den Haag,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 november 2024 in zaak nr. 24/2158 in het geding tussen:
Weda
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2023 heeft het college aan Weda, onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00, gelast de onzelfstandige bewoning van een woning zonder bezit van een omzettingsvergunning vóór 1 april 2024 ongedaan te maken en te houden.
Bij besluit van 12 maart 2024 heeft het college het door Weda daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 november 2024 heeft de rechtbank het door Weda daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Weda hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Weda en het college hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 november 2025, waar Weda, vertegenwoordigd door mr. V. Apaydin, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. Weda is eigenaar van de woning aan de [locatie] (hierna: de woning). De Haagse Pandbrigade (hierna: de HPB) heeft de woning op 21 september 2023 gecontroleerd en geconstateerd dat de woning onzelfstandig werd bewoond door een samengesteld gezin, bestaande uit een vader en moeder, hun zwangere dochter en haar man.
3. De dochter en de moeder hebben aan de HPB verklaard dat de dochter en haar man op zoek zijn naar een nieuwe woning. Ook is geconstateerd dat geen gezamenlijk ondertekend huurcontract aanwezig was en door de bewoners geen huisvestingsvergunning was aangevraagd. Het college heeft zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt gesteld dat het gezin geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormde. Omdat Weda niet beschikte over een noodzakelijke omzettingsvergunning voor onzelfstandige bewoning door meer dan twee personen, handelde zij in strijd met artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (hierna: de Huisvestingsverordening). Het college heeft Weda daarom een last onder dwangsom opgelegd.
4. Het college heeft de woning op 22 februari 2024 opnieuw gecontroleerd. Bij die controle is gebleken dat de dochter en haar man inmiddels de woning hebben verlaten. Er is geen dwangsom verbeurd.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het college terecht heeft aangenomen dat de bewoners van de woning geen duurzaam gemeenschappelijk huishouden vormden als bedoeld in artikel 1:1 van de Huisvestingsverordening. Aan de verklaringen van de dochter en de moeder mocht het college de conclusie verbinden dat het niet de bedoeling van de bewoners was bestendig voor onbepaalde tijd samen te wonen. Hetzelfde geldt voor de verklaring van de vader, die heeft verklaard te hebben gewacht met het aanvragen van de huisvestingsvergunning totdat zijn dochter en schoonzoon waren uitgeschreven uit de woning. Dat wel voldaan is aan andere indicaties voor duurzaam samenwonen, zoals het gemeenschappelijk gebruik van woonruimte en het wederzijds zorgen voor elkaar, doet daaraan niet af. Verder is niet onderbouwd dat het college de zwangerschap van de dochter, in strijd met het verbod van discriminatie, ten nadele van Weda aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Ook heeft Weda niet aannemelijk gemaakt dat zij in haar belangen is geschaad doordat de hercontrole al op 22 februari 2024 is uitgevoerd, in plaats van op 1 april 2024, zoals aangegeven in het besluit van 13 november 2023. Het college heeft dus terecht de last onder dwangsom opgelegd voor de onzelfstandige bewoning door meer dan twee personen, zonder dat Weda beschikte over de daarvoor noodzakelijk vergunning.
Beoordeling van het hoger beroep
6. Weda betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de woning niet duurzaam werd bewoond door een gemeenschappelijk huishouden. Zij voert daartoe onder meer aan dat het college aan de verklaringen van de moeder en haar dochter niet de conclusie mocht verbinden dat geen sprake is van een gemeenschappelijk duurzaam huishouden. Verder heeft het (samengestelde) gezin al meer dan één jaar, in ongewijzigde samenstelling, de woning gemeenschappelijk bewoond. Dit blijkt onder meer uit de Basisregistratie Personen. Verder is de zwangerschap van de dochter ten onrechte ten nadele meegewogen, wat in strijd is met het verbod van discriminatie. Voorts is de omstandigheid dat de vader naar aanleiding van de last onder dwangsom een huisvestingsvergunning heeft aangevraagd ten onrechte betrokken bij het besluit op bezwaar en heeft het college ten onrechte al op 22 februari 2024 het huis bezocht. Tot slot is de rechtbank ten onrechte niet ingegaan op het verzoek tot exceptieve toetsing.
7. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd ingegaan op de gronden van Weda. In wat Weda in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen grond om tot een ander oordeel te komen dan het oordeel van de rechtbank. De Afdeling voegt daaraan toe dat eerst de ouders en de schoonzoon in 2021 de woning gezamenlijk hebben betrokken. De dochter is pas later, namelijk na afronding van haar studie in Bulgarije, verhuisd naar de woning. In dit verband is ook relevant dat de dochter al was getrouwd voordat zij zich bij haar man en ouders in Nederland heeft gevoegd. Binnen deze context, en in samenhang gezien met de omstandigheid dat geen huisvestingsvergunning aanwezig was en het huurcontract niet gezamenlijk was ondertekend, mocht het college uit de verklaringen, dat de dochter en haar man op zoek zijn naar een nieuwe woning, afleiden dat er geen intentie was om duurzaam gemeenschappelijk samen te wonen. Wat Weda heeft aangevoerd over de exceptieve toets leidt, zonder nadere toelichting waarop de exceptieve toetsing zou moeten zien, niet tot een ander oordeel. Het betoog slaagt dan ook niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Huisvestingswet 2014
Artikel 21
1. Het is verboden om een woonruimte, behorend tot een met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening aangewezen categorie woonruimte en die gelegen is in een in de huisvestingsverordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders:
[…].
c. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten of omgezet te houden;
[…].
Huisvestingsverordening Den Haag 2023
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
[…].
- Duurzaam gemeenschappelijk huishouden: een vaste groep van personen tussen wie een band bestaat die het enkel gezamenlijk bewonen van bepaalde woonruimte te boven gaat en die de bedoeling heeft om bestendig voor onbepaalde tijd een huishouden te vormen; er dient ook sprake te zijn van een samenlevingswens tussen de personen die niet overwegend wordt bepaald door de beslissing om de betrokken woonruimte te delen;
[…].
Artikel 5:1 Woonruimten met een vergunningplicht voor onttrekking, omzetting of woningvorming
1. Artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 is van toepassing op alle zelfstandige woonruimten behorend tot een gebouw gelegen in alle wijken van Den Haag.
[…].
Artikel 5:2 Vergunningplicht onttrekking, omzetting of woningvorming
De in artikel 5:1 genoemde woonruimten mogen niet zonder vergunning:
[…].
b. van zelfstandige in onzelfstandige woonruimten voor drie of meer personen worden omgezet;
[…].