ECLI:NL:RVS:2025:6008

ECLI:NL:RVS:2025:6008, Raad van State, 10-12-2025, 202205642/1/R3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 202205642/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
10 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006147 BWBR0009641 BWBR0015158 BWBR0020449 BWBR0024779 BWBR0027464 BWBR0037552 BWBR0037885 BWBR0043660

Samenvatting

Bij besluit van 3 juni 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân aan [maatschap] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een ligboxenstal, het plaatsen van een mestsilo en andere, op bijlagen aangegeven werkzaamheden op het perceel [locatie A] in Holwerd. De aanvraag ziet ook op het legaliseren van de bestaande drooginstallatie inclusief luchtwasser en het aanleggen van een tweede ontsluitingsweg. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanhaakplicht bestond, omdat op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming, voorheen de Natuurbeschermingswet 1998 was ingediend.

Uitspraak

202205642/1/R3.

Datum uitspraak: 10 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Holwerd, gemeente Noardeast-Fryslân,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 18 augustus 2022 in zaak nr. 19/2353 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2019 heeft het college aan [maatschap] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van een ligboxenstal, het plaatsen van een mestsilo en andere, op bijlagen aangegeven werkzaamheden op het perceel [locatie A] in Holwerd (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 18 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 juni 2019 vernietigd, en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 29 september 2022 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor bovengenoemde activiteiten.

[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 29 september 2022.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 oktober 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.A. Luehof, rechtsbijstandverlener in Assen, en het college, vertegenwoordigd door M.J. Paulusma, zijn verschenen. Verder is op de zitting de maatschap, vertegenwoordigd door [maten], en bijgestaan door mr. R.J.A. Steenbergen, advocaat in Groningen, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 september 2015. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. De maatschap is eigenaar van het perceel. Op het perceel heeft de maatschap een veehouderij. Op 30 september 2015 heeft de maatschap een omgevingsvergunning aangevraagd voor de uitbreiding van de ligboxenstal op het perceel. De aanvraag ziet ook op het oprichten van een mestsilo, het legaliseren van de bestaande drooginstallatie inclusief luchtwasser en het aanleggen van een tweede ontsluitingsweg. Bij het besluit van 3 juni 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, en e van de Wabo. Zoals is weergegeven in het procesverloop, heeft de rechtbank deze omgevingsvergunning vernietigd. Bij besluit van 29 september 2022 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor bovengenoemde activiteiten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake is van een omissie in het besluit van 3 juni 2019. Met het college heeft de rechtbank vastgesteld dat voorschrift 10.1.1 van de vergunning zo had moeten worden geformuleerd dat binnen de inrichting op jaarbasis maximaal 15.900 ton mest afkomstig van het eigen bedrijf mag worden verwerkt, omdat op grond van het bestemmingsplan "Bûtengebiet Dongeradeel, herziening 2015" is vereist dat 60% van de mestafzet en voerwinning op eigen gepachte of ruilgrond moet worden afgezet. De rechtbank heeft het bestreden besluit om deze reden in zoverre vernietigd.

Relevante regelgeving

4. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling hoger beroep

Strijd met goede procesorde

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte door de maatschap op en na de zitting ingediende stukken heeft geaccepteerd. Hij voert hiertoe aan dat de late indiening van de stukken leidt tot strijd met de goede procesorde. De maatschap heeft meer dan twee jaar de tijd gehad om de stukken bij de rechtbank in te dienen. Omdat de rechtbank heeft geaccepteerd dat de maatschap de stukken op en na de zitting kon indienen, is [appellant] de kans op een eerlijk proces ontnomen.

5.1. Indien een nader stuk niet binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) daarvoor gestelde termijn is ingediend, is het aan de rechtbank om te beslissen of de goede procesorde zich ertegen verzet dat dit bij de beoordeling van het bestreden besluit wordt betrokken. Artikel 8:58 van de Awb geeft de rechtbank een zekere vrijheid in haar beoordeling of door een partij ingediende stukken bij de beoordeling van het geding zullen worden betrokken. Zij zal daarbij aan het procesbelang van de andere partij zwaarwegende betekenis moeten hechten.

5.2. De Afdeling stelt vast dat de rechtbank [appellant] op 31 maart 2021 de mogelijkheid heeft gegeven om binnen vier weken op deze stukken te reageren. Dat heeft hij op 25 april 2022 gedaan. [appellant] heeft de stukken dus gezien en daarop gereageerd. Onder deze omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank door deze stukken in het geding te betrekken, in strijd met de beginselen van een goede procesorde heeft gehandeld. De Afdeling wijst er in dit verband nog op dat, omdat de door de maatschap op en na de zitting bij de rechtbank ingediende stukken ook onderdeel uitmaken van het hoger beroep, deze in de beoordeling van het geschil worden betrokken.

Het betoog slaagt niet.

Aanhaakplicht

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanhaakplicht bestond, omdat op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning een aanvraag op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), voorheen de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) was ingediend. Hij voert hiertoe aan dat uit de door de maatschap overgelegde stukken niet duidelijk is of de maatschap deze heeft aangevraagd en of deze aanvraag nog in behandeling is. Zo zijn verschillende berichten niet opgeslagen of terug te vinden en staat op de getoonde aanvraag geen handtekening of datum.

6.1. Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning voor bouwen, het uitvoeren van een werk of werkzaamheden, en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Wabo, ook een vergunning of ontheffing in het kader van de Wnb nodig is, dan kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of verleend, dan bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2.aa van het Besluit omgevingsrecht, de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteiten een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.

6.2. De Afdeling overweegt dat de maatschap op de zitting bij de rechtbank verschillende stukken heeft overgelegd. Zoals de rechtbank heeft weergeven onder 2.7 van haar uitspraak, betreffen deze stukken een verzoek tot intrekking van een vergunningaanvraag Nbw 1998, een aanvraag voor een vergunning Nbw 1998 en een brief van het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: gedeputeerde staten) van 28 oktober 2016, waarbij de ontvangst van de vergunningaanvraag wordt bevestigd. Daarnaast heeft de maatschap ook na de zitting stukken overgelegd, waaronder e-mailberichten van gedeputeerde staten van 18 en 21 februari 2021 met het bericht dat de aanvraag uit 2016 is ontvangen en geregistreerd en dat de zaak heropend wordt. Volgens de maatschap blijkt uit deze stukken dat gelijktijdig met het intrekken van de aanvraag voor een vergunning op grond van de Nbw 1998 een nieuwe aanvraag is ingediend op 24 oktober 2016. Deze tweede aanvraag is niet ingetrokken, zodat er op het moment van het besluit over de aanvraag om de omgevingsvergunning een aanvraag voor een Wnb-vergunning lag. Het college heeft zich ook op dit standpunt gesteld.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat uit de door de maatschap overgelegde emailberichten van gedeputeerde staten van 18 en 21 februari 2022 genoegzaam blijkt dat er nog een aanvraag op grond van de Nbw 1998 in behandeling was. Omdat op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning een aanvraag op grond van de Nbw 1998 was ingediend, bestaat er geen aanhaakplicht, zo heeft de rechtbank overwogen.

6.3. Zoals de Afdeling hiervoor onder 5.1 heeft overwogen, is het moment van het besluit over de aanvraag om een omgevingsvergunning bepalend voor het antwoord op de vraag of voor de aanvrager de verplichting bestaat om tegelijkertijd een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen. Het college moet dus op dat moment nagaan of nog geen Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of dat deze al is verleend. De Afdeling stelt vast dat het college op het moment van het besluit van 3 juni 2019 over de aanvraag om omgevingsvergunning van de maatschap, zich niet heeft vergewist of een Wnb-vergunning of ontheffing is aangevraagd of verleend. Het besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

6.4. In dit geval ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb het onder 6.3 geconstateerde gebrek te passeren. De reden daarvoor is dat [appellant] door dit gebrek in dit geval niet is benadeeld. Ook acht de Afdeling het niet aannemelijk dat derden door het gebrek zijn benadeeld.

De Afdeling wijst in dit verband op het volgende. Wat er ook van de inhoud van de door de maatschap overgelegde stukken zij, op 23 maart 2023 heeft het college een ontwerpweigeringsbesluit van gedeputeerde staten ontvangen. In het ontwerpbesluit staat dat de maatschap op 24 oktober 2016 een aanvraag heeft ingediend in het kader van de Wnb, maar dat de behandeling van deze aanvraag om onduidelijk redenen nooit is afgerond. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat door de maatschap een vergunning op grond van de Wnb was aangevraagd en deze in behandeling was op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning.

Het betoog slaagt niet.

Redelijke termijn

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet zijn verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft behandeld. De rechtbank heeft volgens hem geweigerd om het verzoek te beoordelen en verwezen naar het hoger beroep bij de Afdeling. Hij voert hiertoe aan dat hij dit verzoek tijdig, gedurende de procedure heeft ingediend.

7.1. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij zowel voor als tijdens de zitting bij de rechtbank een verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft ingediend. Omdat de rechtbank dit verzoek niet heeft behandeld, zal de Afdeling, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, dit verzoek inhoudelijk behandelen. De Afdeling zal dit doen aan het einde van de uitspraak.

Het betoog slaagt.

Conclusie hoger beroep

8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, moet worden vernietigd voor zover de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet heeft behandeld. Dit betekent dat de uitspraak van de rechtbank voor het overige in stand blijft.

Beroepsgronden besluit van 29 september 2022

Ingetrokken beroepsgronden

9. Op de zitting heeft [appellant] de beroepsgronden ingetrokken die betrekking hebben op de strijd met Europees beleid en de aantasting van het Natura 2000-gebied "De Waddenzee".

Verkeerde informatie

10. [appellant] betoogt dat het besluit van 29 september 2022 onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij voert hiertoe aan dat het college het besluit op basis van verkeerde informatie heeft genomen. Het college verwijst in het besluit namelijk naar de aanvraag van de maatschap op grond van de Wnb, waarvan het college van gedeputeerde staten op 8 juni 2025 heeft bevestigd dat die is ingetrokken.

10.1. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 29 september 2022 geen verwijzing naar een aanvraag op grond van de Wnb bevat. In het besluit staat alleen de voorwaarde dat de maatschap in het bezit dient te zijn van een vergunning op basis van de Wnb, voordat het bouwwerk in gebruik wordt genomen. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over het besluit van 29 september 2022

11. Het beroep tegen het besluit van 29 september 2022 is ongegrond.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

12. Zoals is weergeven onder 7.1, zal de Afdeling hier het verzoek van [appellant] om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behandelen. Op de zitting heeft de maatschap de Afdeling ook verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat verzoek zal de Afdeling hier ook behandelen.

12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit twee rechterlijke instanties bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt twee jaar gerekend voor iedere rechterlijke fase. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank.

12.2. De rechtbank heeft het beroepschrift van [appellant] ontvangen op 28 juni 2019. Van een bijzondere omstandigheid die verlenging of verkorting van de redelijke termijn rechtvaardigt, is geen sprake. De redelijke termijn is in deze procedure dus met afgerond 29 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 14/29e deel aan de rechtbank en voor 15/29e deel aan de Afdeling worden toegerekend.

12.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.500,00.

Proceskosten

13. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die [appellant] heeft gemaakt in verband met het hoger beroep. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan de rechtbank en de Afdeling is toe te rekenen, moet de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, ieder de helft van) de proceskosten vergoeden van de verzoeken om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 18 augustus 2022 in zaak nr. 19/2353, voor zover aangevallen, voor zover de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn niet heeft behandeld;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân van 29 september 2022 ongegrond;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan de [maatschap] van een schadevergoeding van € 1.206,9;

V. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot betaling aan de [maatschap] een schadevergoeding van € 1.293,1;

VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.206,9;

VII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.293,1;

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de in het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de bij [maatschap] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 271,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding van de bij [maatschap] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 271,75 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 271,75, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 271,75 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

XIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 274,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Jurgens

voorzitter

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025

884-1139

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 8:58

1. Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.

[…]

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…]

e.

1°.het oprichten,

2°.het veranderen of veranderen van de werking of

3°.het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…}

i. het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving.

[…]

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.2aa. Activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving

Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, worden tevens aangewezen:

a. het realiseren van een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, behoudens de gevallen, bedoeld in de artikelen 2.9, eerste en tweede lid, of 9.4, eerste, achtste of negende lid, van die wet, artikel 9, vijfde lid, van de Spoedwet wegverbreding of artikel 13, achtste lid, van de Tracéwet, voor zover dat project, onderscheidenlijk die handeling bestaat uit een activiteit waarop het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdelen a tot en met h of in artikel 2.2 van de wet, of bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de wet in samenhang met artikel 2.2a van toepassing is en voor zover voor dat project geen vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is aangevraagd of verleend;

[…]

Wet natuurbescherming

Artikel 1.3

1. Ingeval gedeputeerde staten ingevolge het bepaalde bij of krachtens deze wet bevoegd zijn tot het nemen van een besluit met betrekking tot handelingen, zijn, tenzij anders bepaald, bevoegd gedeputeerde staten van de provincie waar de handeling wordt verricht.

[..]

Artikel 2.7

[…]

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

[..]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?