202400063/1/R1.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Maastricht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 23 november 2023 in zaak nr. 22/1898 in het geding tussen:
[appellanten],
en
het college van burgemeester en wethouders van Maastricht.
Procesverloop
Bij besluit van 22 april 2021 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het splitsen van de woning aan de [locatie A] in Maastricht in drie zelfstandige woningen.
Bij besluit van 6 juli 2022 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 22 april 2021 met een aanvullende motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 23 november 2023 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 september 2025, waar [appellant A], bijgestaan door mr. L. Pronk, advocaat in Helmond, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Vorstermans, via een videoverbinding zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij] en [persoon], bijgestaan door mr. S.J.H.G.M. Schils, advocaat in Urmond, via een videoverbinding verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 december 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] is eigenaar van de woning aan de [locatie A] (hierna: de woning). Zij heeft voor het splitsen van de woning in drie zelfstandige wooneenheden een omgevingsvergunning aangevraagd.
Ter plaatse gelden het bestemmingsplan "Maastricht Noordoost" en het "Facetbestemmingsplan Woningsplitsing en woningomzetting" (hierna: het facetplan wonen). De gronden hebben de bestemming "Wonen". Gestapeld wonen en woningsplitsing is niet toegestaan. Verder geldt het "Facetbestemmingsplan Parkeren" (hierna: het facetplan parkeren).
Het college heeft medewerking verleend aan het plan door een omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten "bouwen van een bouwwerk" en "gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan", als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Dit heeft het college gedaan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van die wet, in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef, onderdelen 1 en 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.
[appellant A] woont direct naast de woning. [appellant B] woont op een afstand van ongeveer 100 m van de woning. [appellanten] kunnen zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen.
Nieuwe beroepsgronden
3. [appellanten] hebben op 10 september 2025 een nader stuk ingediend. Hierin voeren zij aan dat het college bij het beoordelen van de aanvraag een onjuiste methode heeft toegepast. Het college had met behulp van de door [appellanten] genoemde "keuzetool" een door de raad verplicht gestelde integrale, gebiedsgerichte afweging moeten maken. Verder voeren [appellanten] aan dat de nieuwe woningen niet voldoen aan het Bouwbesluit 2012, onder meer vanwege eisen over daglichttoetreding en ventilatie, en dat de belangen van bewoners aan de Waldeck Pyrmontstraat niet in het besluit zijn meegewogen.
[appellanten] hebben deze beroepsgronden niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgronden niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgronden dus niet inhoudelijk bespreken.
Zijn de Uitvoeringsregels van toepassing op de aanvraag?
4. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het beleid "Uitvoeringsregels woningsplitsing, woningomzetting en herbestemming monumentale niet voor bewoning bestemde gebouwen" (hierna: de uitvoeringsregels) op de aanvraag van toepassing zijn. Volgens [appellanten] gelden de uitvoeringsregels niet alleen voor studentenhuisvesting, maar voor woningsplitsing in het algemeen. Ook het facetplan wonen heeft namelijk niet alleen betrekking op studentenhuisvesting, aldus [appellanten].
4.1. De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat woningsplitsing op grond van het facetplan wonen niet is toegestaan, maar wel of het college de uitvoeringsregels als ruimtelijk toetsingskader had moeten betrekken bij zijn beslissing om in afwijking van dat plan een omgevingsvergunning te verlenen.
De Afdeling overweegt dat de uitvoeringsregels zijn opgesteld met het oog op studentenhuisvesting. De uitvoeringsregels bevatten dus beleid dat wordt gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het in afwijking van het bestemmingsplan toestaan van studentenhuisvesting. De Afdeling leidt dit af uit het samenstel van de toelichting op het facetplan wonen en de uitvoeringsregels. De uitvoeringsregels over splitsing zijn blijkens het opschrift uitdrukkelijk opgesteld om de toename van studentenhuisvesting in de gemeente Maastricht te reguleren. Het college heeft op de zitting en in zijn verweerschrift toegelicht dat het sinds 2015 alleen aanvragen over studentenhuisvesting aan de uitvoeringsregels heeft getoetst. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank in de onder 8.2 opgenomen overweging dan ook terecht tot de conclusie gekomen dat het college de uitvoeringsregels niet bij zijn beslissing hoefde te betrekken, omdat zij specifiek zijn opgesteld voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor woningsplitsing ten behoeve van studentenhuisvesting. Voor een woningsplitsing als hier aan de orde (die dus niet voorziet in studentenhuisvesting) geldt dat de omgevingsvergunning in afwijking van het facetplan wonen slechts kan worden verleend indien de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Op die vraag zal de Afdeling hierna ingaan.
Voor zover [appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat in het beleid "Woonprogrammering 2021-2030" staat dat woningsplitsing alleen wordt toegestaan voor specifieke woningtypen, waaronder studentenhuisvesting, overweegt de Afdeling als volgt. In de passage waar [appellanten] naar verwijzen wordt ingegaan op de voorheen geldende "Woonprogrammering 2016-2020", waar als een van de opgaves het terugbrengen van de bestaande overcapaciteit aan woningbouwplannen wordt beschreven. Zoals het college op de zitting naar voren heeft gebracht zijn de omstandigheden op de woningmarkt sindsdien veranderd en volgt uit de "Woonprogrammering 2021-2030" dat er behoefte is aan woningen in stedelijk gebied. De rechtbank is in de onder 8.3 opgenomen overweging terecht tot de conclusie gekomen dat de "Woonprogrammering 2021-2030" niet in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning voor woningsplitsing.
Het betoog slaagt niet.
Mocht het college de gevraagde omgevingsvergunning verlenen?
5. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht verlenen. Volgens [appellanten] is na verlening geen sprake van een goede ruimtelijke ordening en worden hun belangen onevenredig aangetast. Zij voeren hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan het door hen ingebrachte stedenbouwkundige advies van Van Dun Advies B.V., waarin wordt ingegaan op de druk op de omgeving, het ontbreken van stallingsruimte, de afname van privacy en sociale cohesie, en de aard van de woning. [appellanten] vrezen dat een woonfunctie op iedere verdieping zal leiden tot onaanvaardbare geluidsoverlast. Het college heeft deze aspecten ten onrechte niet betrokken bij de verlening van de omgevingsvergunning, zo stellen [appellanten]. De rechtbank is daarom ten onrechte tot het oordeel gekomen dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is. Ook is in de omgevingsvergunning ten onrechte niet voorzien in stallingsruimte voor fietsen en afval en de rechtbank heeft volgens [appellanten] niet onderkend dat dit ruimtelijk relevante aspecten zijn. [appellanten] voeren verder aan dat het college een zelfbewoningsvoorschrift aan de omgevingsvergunning had moeten verbinden. Een dergelijk voorschrift kan volgens [appellanten] namelijk voorkomen dat overlast ontstaat.
Ten slotte heeft de rechtbank volgens [appellanten] ten onrechte geoordeeld dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Volgens [appellanten] mocht op grond van het beleid "Parkeernormen Maastricht 2017" het aantal toegenomen parkeerplaatsen niet naar beneden worden afgerond.
5.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
5.2. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar aan de hand van het advies van Stedenbouw op het standpunt gesteld dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet achteruit gaat door de toevoeging van twee woningen. Het college heeft de wijziging van het ruimtelijk beeld, de toename van de druk op de openbare ruimte door (fiets-) parkeren en de verkeersaantrekkende werking beoordeeld. Ook heeft het college de gevolgen voor de bezonning, privacy en overlast voor omwonenden in ogenschouw genomen. Het college stelt zich op het standpunt dat van de woningsplitsing geen aanvullende druk op de buurt is te verwachten. Ook zal er volgens het college geen onevenredige aantasting van de privacy van omwonenden zijn. Het college heeft toegelicht dat er mogelijk iets meer inkijk in de tuin zal zijn, omdat op de verdieping gewoond zal worden, maar omdat er geen dakterrassen of balkons worden gerealiseerd en aan die zijde net als nu de slaapkamer is gesitueerd, verandert de situatie nauwelijks en is er geen directe inkijk in de naastgelegen woningen.
5.3. De Afdeling ziet, gelet op het hiervoor genoemde advies van Stedenbouw, geen aanleiding voor het oordeel dat het college de ruimtelijke gevolgen van de woningsplitsing niet bij zijn besluit heeft betrokken. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat het woon- en leefklimaat van [appellanten] niet in onevenredige mate wordt aangetast. De rechtbank heeft in het advies van Van Dun terecht geen aanleiding gezien om daar anders over te oordelen. De omstandigheid dat Van Dun een andere visie heeft op de gevolgen van de woningsplitsing, betekent niet dat het college zijn standpunt over de gevolgen voor de omgeving niet heeft kunnen innemen, nog daargelaten dat het advies van Van Dun op een aantal onjuiste uitgangspunten is gebaseerd, zoals de rechtbank terecht uiteen heeft gezet in de onder 10.4 1. tot en met 10.4.4. opgenomen overwegingen. De Afdeling voegt daaraan toe dat de inschakeling van externe deskundigen door het gemeentebestuur niet bij voorbaat is aangewezen, omdat gemeenten over het algemeen beschikken over eigen deskundigen die kunnen adviseren over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een plan.
Ook heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de woningsplitsing niet leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening vanwege het ontbreken van stallingsruimte voor fietsen en afval. Dat de stedenbouwkundige heeft opgemerkt dat een stallingsruimte voor fietsen tot een verbetering van het plan zou leiden maakt dat niet anders. Het college stelt zich terecht op het standpunt dat een fietsenstalling geen vereiste is op grond van geldend beleid. In wat [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de toename van een paar fietsen in de straat tot een onevenredige druk op de omgeving zal leiden. Dat geldt ook voor een geringe toename van het huishoudelijk afval.
Met de rechtbank is de Afdeling ook van oordeel dat er weliswaar een intensivering is van het gebruik van het pand, maar dat die intensivering niet zodanig is dat aannemelijk is dat er onevenredige geluidsoverlast zal zijn.
De rechtbank heeft alleen al vanwege het vorenstaande terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college een voorschrift over zelfbewoning aan de vergunning had moeten verbinden vanwege de gestelde vrees voor overlast, nog daargelaten de vraag of een dergelijk voorschrift aan de omgevingsvergunning mag worden verbonden in het kader van artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo.
5.4. Artikel 3.1 van het facetplan parkeren luidt:
"De in het plangebied aanwezige gronden mogen slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden mag enkel worden gewijzigd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en/of in stand gehouden."
In artikel 3.2 staat dat sprake is van voldoende parkeergelegenheid indien voldaan wordt aan het parkeer(normen)beleid van het college van burgemeester en wethouders, getiteld ‘Parkeernormen Maastricht 2017’, zoals laatstelijk gewijzigd op 11 juli 2017, met inbegrip van de daarin opgenomen afwijkingsmogelijkheden. Indien het parkeer(normen)beleid gedurende de planperiode wordt gewijzigd, is sprake van voldoende parkeergelegenheid wanneer aan dit gewijzigde beleid wordt voldaan.
5.5. De Afdeling deelt de conclusie van de rechtbank en het college dat het beleid "Parkeernormen Maastricht 2017" (hierna: parkeernormen 2017) op de aanvraag van toepassing is. In de "Nota Parkeernormen 2021 gemeente Maastricht" is namelijk bepaald dat aanvragen om een omgevingsvergunning die worden ingediend vóór de formele inwerkingtreding van het nieuwe parkeerbeleid, worden getoetst aan de parkeernormen 2017. Dat is hier het geval.
Het college stelt zich op het standpunt dat aan de parkeernorm van de parkeernormen 2017 wordt voldaan. De huidige parkeerbehoefte is volgens het college 1,6 parkeerplaats en het bouwplan leidt tot een toename van 1,2 parkeerplaats. Volgens het college is daarmee effectief sprake van een toename van 1 parkeerplaats. In die behoefte wordt door [partij] voorzien door het huren van een parkeerplaats. Voor zover het college de parkeerbehoefte hiermee heeft afgerond, heeft het college op de zitting toegelicht dat het als vaste gedragslijn hanteerde dat een parkeerbehoefte kleiner of gelijk aan 0,49 naar beneden wordt afgerond en dat deze gedragslijn inmiddels ook in het nieuwe parkeerbeleid is vastgelegd. [appellanten] hebben dat niet bestreden. In wat zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om deze vaste gedragslijn onredelijk te achten of te oordelen dat het college in dit geval niet aan die vaste gedragslijn mocht vasthouden. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Gelet hierop ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend vanwege het aspect parkeren.
5.6. De Afdeling komt, gelet op wat hiervoor staat, tot de slotsom dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Duits, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duits
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1093