BRS.25.000982 en BRS.25.002260
ECLI:NL:RVS:2025:6031
Datum uitspraak: 11 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B]
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juli 2025 in zaken nrs. NL25.19042 en NL25.19045 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroepen ingesteld tegen het niet tijdig nemen van besluiten op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 16 juli 2025 heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard, het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten vernietigd, de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak met de algemene asielprocedure aan te vangen en binnen acht weken na deze aanvang besluiten op de aanvragen bekend te maken, en bepaald dat de minister aan appellanten gezamenlijk een dwangsom van € 100,00 moet betalen, voor elke dag dat zij die termijnen overschrijdt, tot een maximum van € 15.000,00.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Bij besluiten van 13 november 2025 heeft de minister de asielaanvragen afgewezen.
Appellanten hebben nadere stukken ingediend.
Appellanten hebben de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
Het hoger beroep
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op de beroepen van appellanten tegen het niet tijdig nemen van besluiten, had de minister nog geen besluiten genomen op hun asielaanvragen. Dat heeft de minister met de besluiten van 13 november 2025 wel gedaan. Met het door de minister nemen van deze besluiten hebben appellanten het doel van deze procedure bereikt. Wat appellanten aanvoeren, schept geen belang voor het beoordelen van hun hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, en 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om te kunnen bepalen of de minister de beslistermijn, met WBV 2022/22 en WBV 2023/3, heeft mogen verlengen. Het Hof heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in haar uitspraak van 8 november 2023, die gaan over WBV 2022/22. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het Hof heeft nog geen antwoord gegeven op de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld in de verwijzingsuitspraak van 10 juli 2024. Nadat de Afdeling einduitspraak doet in de verwijzingszaak die gaat over WBV 2022/22 zal zij bezien of verdere aanhouding van zaken die vallen onder WBV 2023/3 nodig is, vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2219, onder 1 en 2.
3. Dit heeft echter geen invloed op de vraag of appellanten hun proceskosten vergoed moeten krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 11 oktober 2023 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister besluiten heeft genomen op de asielaanvragen. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De voorzieningenrechter van de Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (één punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van besluiten op de asielaanvragen. De voorzieningenrechter van de Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
De besluiten van 13 november 2025
5. De besluiten van 13 november 2025 worden, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Appellanten hebben bij brief van 27 november 2025 laten weten het niet eens te zijn met die besluiten en daartegen beroepsgronden gericht.
6. De voorzieningenrechter van de Afdeling ziet in dit geval aanleiding om de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 13 november 2025, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem. De voorzieningenrechter van de Afdeling acht het passend dat de rechtbank de beroepen tegen die besluiten toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter.
7. De voorzieningenrechter van de Afdeling verwijst de beroepen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem.
Het verzoek om voorlopige voorziening
8. Voor de voorzieningenrechter van de Afdeling bestaat geen aanleiding om de door appellanten verzochte voorlopige voorziening te treffen. De van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 13 november 2025 schorten de werking van deze besluiten op totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op de door de voorzieningenrechter van de Afdeling naar haar verwezen beroepen, zie artikel 82, eerste lid, van de Vw 2000. Dit betekent dat appellanten de uitkomst van de beroepen in Nederland mogen afwachten en zij tot dat moment hun recht op opvang en verstrekkingen behouden. De minister hoeft de in verband met het verzoek gemaakte proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verwijst de beroepen tegen de besluiten van 13 november 2025, V-[...] en V-[...], naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.T. Gazai, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Gazai
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025
966