BRS.25.000420
ECLI:NL:RVS:2025:6045
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats
's-Hertogenbosch, van 4 maart 2025 in zaak nr. NL25.8688 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 maart 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. G.A. Dorsman, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft het bij haar door appellant ingediende geschrift op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorgezonden naar de Afdeling om te behandelen als hogerberoepschrift. Appellant heeft te kennen gegeven dat de rechtbank zijn geschrift ten onrechte heeft aangemerkt als hogerberoepschrift, omdat het als een herzieningsverzoek had moeten worden beschouwd. De rechtbank is bevoegd om daarvan kennis te nemen.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Omdat de rechtbank al uitspraak heeft gedaan op het verzoek om herziening, zal de Afdeling het hogerberoepschrift niet als verzoek om herziening doorzenden aan de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
981