BRS.25.002271 en BRS.25.002272
ECLI:NL:RVS:2025:6091
Datum uitspraak: 18 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 24 november 2025 in zaak nr. NL24.9432 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2024, vervangen door het besluit van 29 juli 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen vier weken te verlaten.
Bij uitspraak van 24 november 2025 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 februari 2024 door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 29 juli 2025 door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant herhaalt zijn betoog dat hij graag zijn leven in Nederland wil voortzetten en niet wil terugkeren naar zijn land van herkomst. Maar de rechtbank is uitvoerig ingegaan op zijn beroepsgronden over het terugkeerbesluit, privéleven in Nederland en mogelijke risico’s in zijn land van herkomst. Daarom kan het hoger beroep niet worden aangemerkt als concrete kritiek op de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep voldoet daarmee niet aan de eisen die de Vw 2000 stelt. Daarom kan de voorzieningenrechter van de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025
985