BRS.25.001811 en BRS.25.001825
ECLI:NL:RVS:2025:6115
Datum uitspraak: 19 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 oktober 2025 in zaak nr. NL24.48248 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om afgifte van een document als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk onder meer terecht overwogen dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat zijn twee dochters gedwongen zouden zijn het grondgebied van de EU te verlaten als aan appellant een verblijfsrecht wordt geweigerd. Appellant heeft als nader stuk een beschikking van 2 december 2025 van de enkelvoudige kamer voor familiezaken ingebracht. Uit die beschikking volgt dat appellant en de moeder van zijn kinderen gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast en dat de omgangsregeling wordt uitgebreid. Gelet op alle feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, leidt die beschikking niet tot het oordeel dat al hierom sprake is van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat aan vereiste d uit paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000 is voldaan.
2. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025
985