202404039/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2024 in zaak nr. 23/7721 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond (hierna: SUWR).
Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2023 heeft de SUWR een bij besluit van 13 april 2023 aan [appellant] verleende urgentieverklaring ingetrokken.
Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft de SUWR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 7 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daarentegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 april 2025, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat in Den Haag, en de SUWR, vertegenwoordigd door mr. A.J. Wintjes, zijn verschenen.
Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heropend.
De SUWR heeft desgevraagd twee keer een nader stuk ingediend.
[appellant] heeft hierop gereageerd.
De SUWR heeft daar weer op gereageerd.
[appellant] heeft hierop gereageerd.
Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere zitting. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
2. Het Centrum voor Dienstverlening in Rotterdam heeft namens [appellant] een aanvraag om een urgentieverklaring ingediend. Bij besluit van 13 april 2023 heeft de SUWR aan [appellant] directe bemiddeling verleend op basis van de urgentiegrond ‘Doorstroom vanuit een hulpverleningstraject’ als bedoeld in artikel 5.7 van Bijlage I van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020 (hierna: de Verordening). De SUWR heeft bij besluit van 6 juni 2023 de urgentieverklaring ingetrokken, omdat [appellant] in strijd met het besluit van 13 april 2023 een aangeboden woning heeft afgewezen.
Bevoegdheid van de SUWR
3. Op de zitting heeft [appellant] aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de SUWR als wederpartij heeft aangemerkt. Het is namelijk onduidelijk of en op welke wijze de SUWR bevoegd is om te beslissen over urgentie. De rechtbank is volgens hem dan ook ten onrechte ervan uitgegaan dat die bevoegdheid aan de SUWR is gedelegeerd.
De Afdeling heeft naar aanleiding van dit betoog het onderzoek heropend en de SUWR gevraagd toe te lichten waarop zij haar bevoegdheid baseert.
3.1. De bevoegdheid om te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring en een verleende urgentieverklaring in te trekken is op grond van artikel 13, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 toegekend aan burgemeester en wethouders. Zij kunnen op grond van die bepaling aan een ander orgaan mandaat verlenen om namens hen die besluiten te nemen. In artikel 2.1 en 2.4 van de Bijlage I van de Verordening is echter aan de SUWR de bevoegdheid verleend om onder eigen verantwoordelijkheid te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring en om een door haar verleende urgentieverklaring in te trekken. Een wettelijke grondslag voor deze delegatie van de bevoegdheid om te beslissen over urgentie ontbreekt. Artikel 2.1 en 2.4 van Bijlage I van de Verordening zijn daarom onverbindend wegens strijd met artikel 10:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De SUWR was dus niet bevoegd om het besluit van 6 juni 2023 te nemen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
3.2. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft de SUWR een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) van 30 september 2025 overgelegd. Bij dat besluit heeft het college de intrekking van de aan [appellant] verleende urgentieverklaring bekrachtigd.
3.3. Omdat uit het besluit van 30 september 2025 blijkt dat het college met de intrekking van de urgentieverklaring instemt, is het niet aannemelijk dat het college, als het nu opnieuw een besluit zou nemen, een besluit met een andere inhoud zou nemen. Het is daarom ook niet aannemelijk dat [appellant] door het bevoegdheidsgebrek is benadeeld. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding om het bevoegdheidsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.
Inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank met haar opsomming van alle vindplaatsen waaruit hij had kunnen afleiden dat hij niet het recht had om een aangeboden woning éénmaal af te wijzen, voorbij is gegaan aan zijn verstandelijke beperking.
4.1. In reactie op het door [appellant] in beroep aangevoerde betoog dat de SUWR niet bevoegd was om de urgentieverklaring in te trekken omdat de eerste fase van urgentie, waarin de woningzoekende gedurende drie maanden zelf op zoek gaat naar een passende woning, nog niet was geëindigd, heeft de rechtbank in overwegingen 6.1 en 6.2 terecht naar verschillende bepalingen uit de Verordening en passages uit het besluit van 13 april 2023 verwezen. De rechtbank heeft, anders dan [appellant] betoogt, niet alleen maar op basis van de relevante bepalingen in de Verordening en de in het besluit van 13 april 2023 opgenomen waarschuwing overwogen dat [appellant] had kunnen weten dat de weigering van de woning gevolgen zou hebben voor de aan hem verleende urgentieverklaring. De rechtbank heeft immers in het bijzonder van belang geacht dat [appellant] destijds werd begeleid door zijn contactpersoon bij het CVD op onder meer het terrein van huisvesting en dat [appellant] in de hoorzitting in bezwaar zelf heeft bevestigd dat het CVD tijdens de woningbezichtiging hem heeft medegedeeld dat hij de woning niet mocht weigeren.
5. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte zijn beroepsgrond onbesproken heeft gelaten dat de aangeboden woning niet passend was. Hij heeft de woning geweigerd, omdat deze woning, gelet op zijn gebrekkige gezondheid, qua loopafstand niet dicht genoeg bij de winkels ligt waar hij boodschappen doet.
5.1. De rechtbank heeft onder 6.4 terecht overwogen dat het woningaanbod in de omstandigheden van [appellant] niet onredelijk was. Daar voegt de Afdeling nog aan toe dat uit de medische rapportage van Stichting C-support van 7 juni 2023 blijkt dat [appellant] moeite heeft met traplopen. De SUWR heeft het in de urgentieverklaring opgenomen zoekprofiel daar ook op afgestemd. In de medische rapportage wordt niet benoemd dat [appellant] slechts zeer beperkte afstanden kan lopen. Hoewel het begrijpelijk is dat [appellant] gezien zijn post-Covid klachten liefst zo dicht mogelijk bij winkels woont, laat dit onverlet dat de aangeboden woning (een appartement in een flat met lift) op zichzelf passend is. Een urgentieverklaring biedt namelijk, zoals ook in het advies van de Juridische Dienst van 11 oktober 2023 staat, slechts een beperkte oplossing.
6. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft verworpen met als reden dat hij niet heeft geconcretiseerd hoe zijn huisvesting en hulpverlening in de periode na de intrekking tot het moment van indiening van het verzoek om voorlopige voorziening zijn verlopen. De SUWR heeft dit namelijk niet aan hem tegengeworpen.
6.1. [appellant] heeft niet toegelicht hoe zijn leefomstandigheden na de intrekking van de urgentieverklaring zodanig zijn veranderd dat de gevolgen van de intrekking - ondanks dat het voor [appellant] duidelijk moet zijn geweest dat de woningweigering niet zonder gevolgen zou blijven en hij desondanks de woning heeft geweigerd - niettemin onevenredig moeten worden geacht. De rechtbank heeft daarom terecht het beroep van [appellant] op het evenredigheidsbeginsel verworpen.
7. [appellant] voert ook aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de ratio achter de Verordening niet deugt, omdat het weigeren van een aangeboden woning volgens hem niet leidt tot hapering in de doorstroming van andere ondersteuningsbehoeftigen. Weliswaar houdt hij nu langer een tijdelijke opvangplaats van de CVD bezet, maar daar staat tegenover dat de aangeboden woning vrijkomt om opnieuw te worden aangeboden. Er is geen redelijke verklaring waarom hij zijn urgentieverklaring moet kwijtraken na de eerste keer dat hij een aangeboden woning heeft geweigerd. Dat heeft tot gevolg dat hij nu gedurende twee jaar geen urgentieverklaring meer kan krijgen. Dat is een bestuurlijke punitieve sanctie die arbitrair wordt opgelegd. Dat is niet toegestaan, aldus [appellant]. Fouten van burgers mogen volgens hem niet met een alles-of-niets-benadering worden afgestraft.
7.1. De SUWR heeft op de zitting de ratio achter het uitsluiten van een eerste weigeringsmogelijkheid toegelicht. Aan [appellant] is urgentie verleend om door te kunnen stromen vanuit het hulpverleningstraject naar een voor hem passende huurzorgwoning. De woningcorporatie heeft aan [appellant] een woning aangeboden die voldoet aan de criteria die specifiek met het oog op zijn situatie zijn gesteld. Dit maakt dat deze woning niet automatisch aan iemand anders met een urgentieverklaring zal worden aangeboden. Door het afwijzen van het woningaanbod hapert dus de doorstroom vanuit de tijdelijke opvang en blijft een plek bezet waar ook anderen op zijn aangewezen. Het betoog van [appellant] gaat daarom niet op. Het uitsluiten van een eerste weigeringsmogelijkheid en het intrekken van de urgentieverklaring zijn gevolgen die niet zijn gericht op het toevoegen van leed, zoals bij een punitieve sanctie het geval is, maar zijn gericht op het bevorderen van de doorstroom vanuit de opvang en op het toebedelen van de schaarse woonruimte aan die personen die daarvoor in aanmerking komen. Van het afstraffen van fouten van burgers met een alles-of-niets-benadering is daarom ook geen sprake.
8. [appellant] stelt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 8:86 van de Awb mede op het beroep heeft beslist. In een bodemprocedure had hij namelijk de mogelijkheid gehad om zijn standpunten nader te onderbouwen.
8.1. Met toepassing van artikel 8:86 van de Awb kan onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak indien de rechtbank van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Het gaat erom of de informatie die schriftelijk en op de zitting is verkregen van dien aard is dat mag worden aangenomen dat het verrichten van nader onderzoek in dat opzicht geen relevante nieuwe gegevens zou opleveren. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank op basis van de haar ter beschikking staande gegevens en het resultaat van het ter zitting gehouden onderzoek geen uitspraak heeft kunnen doen in de hoofdzaak. Ook zijn partijen overeenkomstig artikel 8:86, derde lid, van de Awb van tevoren schriftelijk op de bevoegdheid tot kortsluiting gewezen. Bovendien heeft [appellant] vanaf het besluit van 11 oktober 2023 tot aan de zitting van 24 mei 2024 voldoende tijd gehad om zijn standpunten nader te onderbouwen.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze berust.
10. De SUWR moet de proceskosten voor het beroep en het hoger beroep vergoeden. De reden daarvoor is dat de rechtbank het onder 3.1 beschreven bevoegdheidsgebrek niet heeft onderkend en de Afdeling dat gebrek alsnog met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.535,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep en beroep betaalde griffierecht, ten bedrage van € 463,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
488-1160
BIJLAGE
Wettelijk kader
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 10:15
Delegatie geschiedt slechts indien in de bevoegdheid daartoe bij wettelijk voorschrift is voorzien.
Huisvestingswet 2014
Artikel 13
1 Burgemeester en wethouders beslissen over de indeling van woningzoekenden in de urgentiecategorieën, bedoeld in artikel 12, tweede lid. Burgemeester en wethouders kunnen van deze bevoegdheid mandaat verlenen.
[…]
Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2020
Bijlage 1 Urgentie- en herhuisvestingssysteem
Paragraaf 2. Procedure urgentieverklaringen
Artikel 2.1. Bevoegdheid tot verlening van een urgentieverklaring
1 Op een aanvraag om een urgentieverklaring beslist het college van burgemeester en wethouders bij wie de aanvraag ingevolge artikel 2.2, tweede lid, van deze Bijlage ingediend moet worden.
2 Indien ingevolge het eerste lid het college van burgemeester en wethouders van de gemeenten Maassluis, Vlaardingen, Rotterdam of Schiedam bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een urgentieverklaring, is tevens het bestuur van de Stichting Urgentiebepaling Woningzoekenden Rijnmond bevoegd om op de aanvraag te beslissen.
[…]
Artikel 2.4. Intrekking en wijziging van de urgentieverklaring
1 Het bestuursorgaan dat de urgentieverklaring heeft verleend, is bevoegd tot intrekking van de urgentieverklaring indien sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. de houder van de urgentieverklaring heeft gedurende de tweede fase van de urgentie een via directe aanbieding aangeboden woonruimte, welke ten minste voldeed aan het voor de tweede fase geldende woonruimtetype en gelegen was in de voorkeursurgentieregio, genoemd in de urgentieverklaring, afgewezen;
[…]