202302806/1/R1.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Vleuten, gemeente Utrecht,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in Vleuten, gemeente Utrecht,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2023 in zaak nr. 22/3917 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.
Procesverloop
Bij besluit van 28 december 2021 heeft het college aan [appellant sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een dakopbouw op de woning op het perceel [locatie 1] in Vleuten (hierna: het perceel).
Bij besluit van 13 juli 2022 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 28 december 2021 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 18 april 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 oktober 2025, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door N. van Polanen, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
Inleiding
2. [appellant sub 2] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een dakopbouw op zijn woning op het perceel. Volgens het college is het bouwplan in overeenstemming met het voor het perceel geldende uitwerkingsplan "Vleuterweide, Centrum, fase 2", zodat het college de omgevingsvergunning heeft verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Ook is het bouwplan volgens het college niet in strijd met de redelijke eisen van welstand. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 2] in Utrecht en is het niet eens met de vergunningverlening.
Het incidenteel hoger beroep
3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [appellant sub 1] geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van het bouwplan. Volgens [appellant sub 2] is [appellant sub 1] dan ook geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bij de aan hem verleende omgevingsvergunning.
3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant sub 1] belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb bij de aan [appellant sub 2] verleende omgevingsvergunning, zoals die in stand is gelaten bij het besluit van 13 juli 2022. Het perceel van [appellant sub 1] ligt schuin tegenover dat van [appellant sub 2] op een afstand van ongeveer 35 m. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en het bouwplan is ongeveer 50 meter. Tussen de percelen bevinden zich een parkeerterrein en tuinen van andere woningen met lage bebouwing. [appellant sub 1] heeft zicht op de achterzijde en de zijkant van de dakopbouw. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 1] onder deze omstandigheden gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van de dakopbouw.
Het betoog slaagt niet.
4. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank de gronden over welstand, voor zover het gaat om de dakkapel in de dakopbouw aan de voorzijde van de woning op het perceel, ten onrechte inhoudelijk heeft behandeld. De welstandseisen strekken volgens [appellant sub 2] niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb.
4.1. Het betoog leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is niet gehouden een oordeel te geven over de toepassing van het relativiteitsvereiste wanneer volgens haar een beroepsgrond niet slaagt. De Awb staat daar niet aan in de weg. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 4.9. Verder is de rechtbank, mede gelet op wat hierna onder 7.1 wordt overwogen, terecht tot de conclusie gekomen dat het besluit van 13 juli 2022 in stand kan blijven.
Het betoog slaagt niet.
Het hoger beroep van [appellant sub 1]
Strijd met het uitwerkingsplan?
5. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de planregels uit het bestemmingsplan "Vleuterweide, Vleuten" niet gelden voor het perceel en dat het bouwplan alleen getoetst moet worden aan de planregels van het uitwerkingsplan. Volgens [appellant sub 1] kan niet aan de planregels van het bestemmingsplan "Vleuterweide, Vleuten" voorbij worden gegaan. Dit betekent volgens hem dat het bouwplan in strijd is met artikel 18.2.1, onder d, van het bestemmingsplan "Vleuterweide, Vleuten", omdat het bouwplan tot gevolg heeft dat een extra verdieping op de bestaande woning wordt geplaatst waardoor de bouw- en goothoogte worden overschreden. Bovendien is de bouwhoogte ook in strijd met het uitwerkingsplan. Hij wijst erop dat in de toelichting bij dat plan staat dat een woning van vier verdiepingen niet is toegestaan. Hij vindt dat in het geval van een discrepantie tussen de toelichting en de verbeelding en gelet op de rechtszekerheid, aangesloten moet worden bij de toelichting om een fout in de verbeelding aan te tonen. Verder betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de goothoogte in strijd is met het uitwerkingsplan. Volgens hem moet bij de bepaling van de goothoogte uitgegaan worden van de plaats waar het water vanaf druipt en dat is het boeiboord van de dakkapel en het daarnaast gelegen pijpje. De goothoogte wordt volgens [appellant sub 1] ook overschreden als voor het bepalen daarvan moet worden uitgegaan van de bovenzijde van het dak.
Omdat het bouwplan in strijd is met genoemd bestemmingsplan, staan ruimtelijke belangen in de weg aan vergunningverlening, zo stelt [appellant sub 1]. Hij wijst daarbij in het bijzonder op het belang van het behoud van de stedenbouwkundige opzet van de buurt en zijn woon-en leefklimaat.
5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan moet worden getoetst aan het uitwerkingsplan. De Afdeling kan zich vinden in overweging 14 van de uitspraak van de rechtbank en verwijst daar kortheidshalve naar. De Afdeling voegt daaraan toe dat in het bestemmingsplan "Vleuterweide, Vleuten" de bestemming van het perceel "Wonen - Uit te werken" was. Volgens artikel 23.2. van de uitwerkingsregels moest deze bestemming worden uitgewerkt met inachtneming van onder meer artikel 23.2.1 waarin is bepaald dat de bouwhoogte van woningen maximaal 18 meter bedraagt. Dat is gedaan in het uitwerkingsplan "Vleuterweide, Centrum fase 2". In dat uitwerkingsplan heeft het perceel de bestemming "Wonen-2" gekregen met als maximum bouwhoogte 12,5 m en als maximum goothoogte 10 m. De voor die bestemming geldende planregels zijn opgenomen in artikel 4. Artikel 18 van de planregels uit het bestemmingsplan "Vleuterweide, Vleuten" is, anders dan [appellant sub 1] stelt, niet van overeenkomstige toepassing op het perceel.
Ook kan de Afdeling zich vinden in het oordeel van de rechtbank over de voor het perceel geldende bouwhoogte en in overweging 16 van de aangevallen uitspraak waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan toe dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling de verbeelding leidend is en daarmee ook de daarop aangegeven maximale bouw- en goothoogtes. Er bestaat in dit geval ook geen discrepantie tussen de verbeelding en artikel 4 van de planregels van het uitwerkingsplan. De stelling van [appellant sub 1] dat de plantoelichting met het oog op de rechtszekerheid leidend zou moeten zijn als sprake is van een discrepantie tussen de verbeelding en plantoelichting, wordt niet gevolgd. Aan de plantoelichting komt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen juridische bindende betekenis toe. De plantoelichting maakt immers geen deel uit van het uitwerkingsplan.
Omdat het bouwplan een hoogte heeft van 11,65 m, wordt de maximumbouwhoogte niet overschreden.
5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het bouwplan ook niet in strijd is met de maximale goothoogte van 10 m. De Afdeling is het eens met de overwegingen 18 en 19 van de uitspraak van de rechtbank waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd over meerdere goothoogtes en de omstandigheid dat onder de dakkapel geen schuin dak aanwezig is, geen aanleiding voor een ander oordeel. Zij voegt daaraan toe dat de dakkapel ongeveer een derde van het dakvlak in beslag neemt en in geringe mate uitsteekt ten opzichte van het schuine dak. Verder komt het merendeel van het hemelwater terecht op het schuine dakvlak, zo ook het hemelwater dat zich verzamelt op de dakkapel, om daarna af te wateren aan de onderzijde van het schuine dakvlak via de bestaande goot.
5.3. Omdat het bouwplan niet in strijd is met het uitwerkingsplan, wordt niet toegekomen aan de beoordeling van de vraag of ruimtelijke belangen in de weg staan aan vergunningverlening.
Het betoog slaagt niet.
Strijd met het Bouwbesluit 2012?
6. Het betoog van [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte niet aan een inhoudelijke behandeling van zijn betoog over artikel 5.6, tweede lid, van het Bouwbesluit en de zogeheten BENG-berekeningen is toegekomen vanwege het relativiteitsvereiste, slaagt niet. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en verwijst kortheidshalve naar rechtsoverweging 22 van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling verwijst ter vergelijking nog naar haar uitspraak van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3206, onder 4.
Strijd met de redelijke eisen van welstand?
7. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het welstandsadvies niet deugdelijk tot stand is gekomen en dat het bouwplan voor zover het gaat om de achtergevel in strijd is met de redelijke eisen van welstand. [appellant sub 1] wijst erop dat er geen sprake is van een onafhankelijk welstandsadvies, omdat de secretaris van de welstandscommissie werkzaam is als gemeenteambtenaar. Volgens [appellant sub 1] voldoet het bouwplan niet aan de vereisten voor plaatsing en maatvoering uit de Welstandsnota "De schoonheid van Utrecht". Hij wijst erop dat niet wordt voldaan de eis van minimaal twee dakpannen onder en boven de dakkapel. Ook wordt de vereiste 50 cm van het dakvlak boven en aan weerszijden van de dakkapel niet aangehouden en is de maximale kozijnmaat meer dan 1,5 m. Verder wijst hij erop dat het bouwplan hoofdzakelijk een plat dak heeft, waardoor niet de gehele achtergevel welstandsvrij is.
7.1. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank over de wijze van tot stand komen van het welstandsadvies en over de vraag of er sprake is van strijd met de redelijke eisen van welstand. Daaraan voegt de Afdeling over de dakkapel het volgende nog toe. Uit de welstandsadviezen die aan het besluit op bezwaar van 13 juli 2022 ten grondslag zijn gelegd als ook uit de motivering van dat besluit blijkt dat zowel door de welstandscommissie als door het college is onderkend dat de dakkapel niet voldoet aan de algemene richtlijnen die gelden voor een dakkapel aan de voorzijde van een woning. Uit het besluit van 13 juli 2022, zoals nader toegelicht door het college in het verweerschrift bij de rechtbank, blijkt vervolgens dat de dakkapel is getoetst aan de in deel 1 van de welstandsnota opgenomen beleidsniveaus op grond waarvan gericht welstandsbeleid kan worden gevoerd op de aard van het gebied. De dakkapel, die in de welstandsadviezen is aangeduid als het Franse balkon, is overeenkomstig die adviezen uitgewerkt in de stijl en thematiek van de bestaande architectuur. Omdat de dakkapel zoals aangevraagd veel voorkomt in de directe omgeving van het bouwplan, is de dakkapel door de welstandscommissie passend bevonden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen doorslaggevend gewicht aan het advies van de welstandscommissie heeft mogen toekennen. De omstandigheid dat [appellant sub 1] een andere visie op het bouwplan heeft, brengt naar het oordeel van de Afdeling niet mee dat al daarom het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Daarbij betrekt de Afdeling dat de welstandsnota op dit punt niet in de weg staat aan uiteenlopende waarderingen van het bouwplan. Verder ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd over de achtergevel van het bouwplan, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt mocht stellen dat de achtergevel welstandsvrij is.
Het betoog slaagt niet.
Slotoverwegingen
8. Het hoger beroep is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep is ook ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Montagne
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
374