202308000/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de erven van [appellant],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 december 2023 in zaak nr. 23/772 in het geding tussen:
de erven van [appellant]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: de Dienst Toeslagen).
Procesverloop
Bij besluit van 4 november 2022 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over 2021 vastgesteld op nihil.
Bij besluit van 30 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door de erven van [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 25 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen zijn besluit van 30 januari 2023 herzien, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en aangekondigd dat zij aan de toeslagpartner van [appellant] zorgtoeslag over 2021 toekent ten bedrage van € 1.346,00.
Bij uitspraak van 18 december 2023 heeft de rechtbank het door de erven van [appellant] tegen het besluit van 30 januari 2023 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft het beroep van rechtswege tegen het besluit van 25 augustus 2023 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de erven van [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De erven van [appellant] hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2025, waar de erven van [appellant], vertegenwoordigd door A. Schuurman, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Wijlen [appellant] ontving gezamenlijk met zijn echtgenote wijlen [echtgenote] zorgtoeslag. [echtgenote] is overleden op 15 september 2021. [appellant] is overleden op 15 oktober 2021.
2. [appellant] heeft op 8 oktober 2021 de Dienst Toeslagen verzocht om de alleenstaande-ouderenkorting te handhaven. De Dienst Toeslagen heeft ten onrechte aangenomen dat [appellant] hiermee verzocht om het doorbreken van het toeslagpartnerschap met [echtgenote] vanaf 1 januari 2021. Als gevolg heeft de Dienst Toeslagen beoordeeld of [appellant] en Hogenkamp als alleenstaanden recht hebben op zorgtoeslag over heel 2021. [appellant] kreeg hierdoor geen zorgtoeslag en [echtgenote] had recht op zorgtoeslag van € 965,00.
3. In zijn herziene besluit op bezwaar van 25 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen dit hersteld en het gezamenlijke recht op zorgtoeslag van [appellant] en [echtgenote], als toeslagpartners, voor januari tot en met september 2021 berekend op een bedrag van € 1.346,00. De Dienst Toeslagen heeft aangekondigd dit bedrag toe te kennen aan (de erven van) [echtgenote], omdat hij anders de uitgekeerde voorschotten zorgtoeslag aan [echtgenote] zou moeten terugvorderen om vervolgens zorgtoeslag uit te keren aan (dezelfde erven van) [appellant]. De Dienst Toeslagen heeft de zorgtoeslag vervolgens toegekend aan [echtgenote]. Verder heeft de Dienst Toeslagen geconcludeerd dat [appellant] in de maand oktober van 2021 moet worden aangemerkt als alleenstaande. Het vermogen van [appellant] in de maand oktober komt uit boven de vermogensgrens voor alleenstaanden bij zorgtoeslag, zodat het recht op zorgtoeslag in die maand nihil is.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat de gezamenlijke zorgtoeslag over 2021 terecht is berekend op een bedrag van € 1.346,00. Dat dit bedrag is toegekend aan wijlen [echtgenote] in plaats van aan wijlen [appellant], is niet relevant omdat het gaat om een gezamenlijk recht op zorgtoeslag.
Hoger beroep
5. Het hoger beroep van de erven van [appellant] is alleen gericht op het oordeel van de rechtbank over het herziene besluit van 25 augustus 2023. De erven van [appellant] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de zorgtoeslag moet worden toegekend aan de aanvrager. Omdat [appellant] de zorgtoeslag heeft aangevraagd en niet [echtgenote], moet de zorgtoeslag aan hem toegekend worden. De erven van [appellant] betogen dat artikel 14, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) dat voorschrijft. Het primaire besluit van 4 november 2022, waarmee de zorgtoeslag van [appellant] is vastgesteld op nihil, is daarom ten onrechte in stand gelaten.
Ontvankelijkheid
6. De Dienst Toeslagen heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep van de erven van [appellant] niet-ontvankelijk is. Volgens de Dienst Toeslagen hebben de erven van [appellant] geen procesbelang omdat [appellant] en [echtgenote] ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag een gezamenlijke aanspraak hadden op de toegekende zorgtoeslag over 2021. Als het hoger beroep van [appellant] zou slagen, zou dit ertoe leiden dat de zorgtoeslag van [echtgenote] op nihil wordt gesteld en het bedrag wordt teruggevorderd van de erven. Vervolgens wordt dat bedrag toegekend aan [appellant] en dus weer uitgekeerd aan de erven. Per saldo levert dit de erven van [appellant] niets op.
6.1. De Afdeling kan zich vinden in het standpunt van de Dienst Toeslagen en voegt daaraan nog het volgende toe.
6.2. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.
6.3. In de door de erven van [appellant] eerder ingediende verklaring van erfrecht inzake de nalatenschap van [appellant] en [echtgenote] van 12 november 2021 staat dat zij in gemeenschap van goederen zijn getrouwd en dat [appellant] de enige erfgenaam van [echtgenote] was. In de verklaring van erfrecht staat ook dat [appellant] als gevolg daarvan alle goederen van de nalatenschap van [echtgenote] heeft verkregen. De goederen van de nalatenschap van [echtgenote] maken dus onderdeel uit van de goederen van de nalatenschap van [appellant], die aan zijn erven zijn toegekomen. Verder staat in het ingediende volmachtformulier dat de gemachtigde de erven [twee erfgenamen] vertegenwoordigt in hoger beroep. Deze erven zijn opgenomen als erfgenamen van [appellant] in de verklaring van erfrecht. De ter zitting naar voren gebrachte stelling dat er naast de erven van [appellant] ook andere erfgenamen zijn die (mede) aanspraak maken op de boedel van [echtgenote], is strijdig met de verklaring van erfrecht en verder niet onderbouwd.
6.4. Voor zover de zorgtoeslag toegekend had moeten worden aan [appellant] in plaats van aan [echtgenote], kan dat de erven van [appellant] dus niet baten omdat de toegekende zorgtoeslag hen reeds toekomt. De erven van [appellant] hebben verder niet betoogd dat een toekenning van de zorgtoeslag aan [appellant] anderszins van feitelijke betekenis is. Met de toekenning van de zorgtoeslag door de Dienst Toeslagen aan [echtgenote] hebben de erven van [appellant] dus bereikt wat zij konden bereiken. Dat betekent dat de erven van [appellant] geen procesbelang hebben bij hun hoger beroep.
6.5. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep.
Verzoek om schadevergoeding
7. De erven van [appellant] hebben ter zitting van de Afdeling verzocht om vergoeding van immateriële schade gedurende drie jaar, sinds het primaire besluit dat is gedateerd op 4 november 2022. De besluitvorming heeft geleid tot spanning, stress en frustratie.
7.1. Voor zover de erven van [appellant] dit verzoek hebben bedoeld als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van het EVRM, overweegt de Afdeling het volgende.
7.2. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
7.3. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaarschrift van de erven van [appellant] ontvangen op 1 november 2022. De redelijke termijn is op het moment van deze uitspraak dus nog niet overschreden. De Afdeling wijst het verzoek van de erven van [appellant] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn daarom af.
7.4. Voor zover het verzoek is bedoeld als een verzoek om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de besluitvorming, onafhankelijk van de redelijke termijn, geldt dat het verzoek niet is onderbouwd terwijl er concrete gegevens nodig zijn om immateriële schade naar objectieve maatstaven vast te stellen (vergelijk de uitspraak van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:871).
7.5. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Conclusie
8. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
9. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
1100