202401854/1/A2.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2024 in zaak nr. 23/1437 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen (thans en hierna: de Dienst Toeslagen).
Procesverloop
Bij besluit van 9 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag van [appellante] over 2020 vastgesteld op € 1.163,00 en € 87,00 teruggevorderd.
Bij besluit van 16 maart 2022 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 27 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen zijn besluit van 16 maart 2022 herzien en het bezwaar van [appellante] opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 februari 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 27 december 2022 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2025, waar [appellante] en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Besluitvorming
1. Bij besluit van 27 december 2019 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] een voorschot zorgtoeslag over 2020 verleend van € 1.250,00, uitgaande van een geschat inkomen van € 12.313,00. Op 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen een melding gekregen van de Basisregistratie Inkomensgegevens dat het inkomen van [appellante] in 2020 € 22.070,00 bedraagt. De Dienst Toeslagen heeft op basis hiervan de zorgtoeslag over 2020 definitief berekend en het teveel betaalde voorschot van € 87,00 teruggevorderd.
2. Volgens de Dienst Toeslagen valt een kennelijke nabetaling die [appellante] heeft ontvangen in 2020 van de Sociale Verzekeringsbank op grond van de Algemene nabestaandenwet onder het toetsingsinkomen voor haar recht op zorgtoeslag. In de Wet op de zorgtoeslag is geen bepaling opgenomen op grond waarvan een dergelijke nabetaling buiten beschouwing kan worden gelaten.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard.
Hoger beroep en de beoordeling daarvan
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet op al haar gronden is ingegaan. Zij wijst op een uitspraak van de rechtbank Limburg van 27 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:8373, waarin is geoordeeld dat de Dienst Toeslagen zorgtoeslag niet mocht terugvorderen omdat sprake is van een nabetaling van een Wajonguitkering. Verder wijst zij erop dat de Dienst Toeslagen in bezwaar heeft toegezegd dat de terugvordering zou worden herroepen als zij bewijs zou aanbieden van een nabetaling van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB). In dat kader begrijpt zij de overwegingen van de rechtbank over het vertrouwensbeginsel niet.
4.1. Uit artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: Wzt) volgt dat het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag afhankelijk is van de draagkracht die is gebaseerd op het inkomen en het vermogen. De Dienst Toeslagen gaat bij de bepaling van de draagkracht uit van het toetsingsinkomen in de Basisregistratie Inkomensgegevens.
4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer haar uitspraken van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5262, onder 3.2, en 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:659, onder 3.1-3.2) biedt de toepasselijke regelgeving voor de zorgtoeslag geen grondslag om inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van de draagkracht. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen geen mogelijkheid heeft om een nabetaling aan [appellante] bij de bepaling van de draagkracht voor de zorgtoeslag buiten beschouwing te laten. Voor zover het betoog van [appellante] is gericht op de vaststelling van het bedrag van de zorgtoeslag, kan dat dus niet slagen.
4.3. In het besluit van 27 december 2022 heeft de Dienst Toeslagen ook beslist om € 87,00 aan te veel betaalde voorschotten terug te vorderen. Ter zitting van de Afdeling heeft [appellante] voor het eerst een geluidsopname afgespeeld van een telefonisch gesprek met een medewerker van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft op basis van de geluidsopname erkend dat bij [appellante] het vertrouwen is gewekt om het bedrag van € 87,00 niet terug te vorderen en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. De Dienst Toeslagen heeft aangegeven dat zij een nieuw besluit neemt om dat bedrag niet terug te vorderen.
4.4. Het betoog slaagt. Reeds hierom is het hoger beroep gegrond. Hetgeen overigens in hoger beroep is aangevoerd behoeft geen bespreking meer.
4.5. Zoals besproken ter zitting, zal de Afdeling de Dienst Toeslagen veroordelen in de proceskosten, volledig bestaande uit de reiskosten, van [appellante] in beroep en hoger beroep. Uit de aantekeningen van de zitting van de rechtbank en de brief van de rechtbank van 17 april 2024 blijkt dat [appellante] geen griffierecht in beroep heeft betaald. In hoger beroep moest zij evenmin griffierecht betalen wegens haar geslaagde beroep op betalingsonmacht. Verder moet de Dienst Toeslagen in zijn nieuwe besluit beslissen over de proceskosten in bezwaar, voor zover onderbouwd door [appellante].
Conclusie
5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling zal het besluit van 27 december 2022 vernietigen en de Dienst Toeslagen opdragen om binnen zes weken na haar uitspraak een nieuw besluit te nemen, overeenkomstig zijn toezegging ter zitting dat het bedrag van €87,00 niet zal worden teruggevorderd.
6. De Dienst Toeslagen moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank van 16 februari 2024, zaaknr. 23/1437;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Dienst Toeslagen van 27 december 2022, kenmerk BOB O ZH;
V. draagt de Dienst Toeslagen op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, overeenkomstig zijn toezegging ter zitting dat het bedrag van € 87,00 niet zal worden teruggevorderd;
VI. veroordeelt de Dienst Toeslagen tot vergoeding van de reiskosten in beroep en hoger beroep van [appellante] tot een bedrag van € 25,22.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
1100