202202384/1/R4.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 3 maart 2022 in zaak nr. 21/1926 in het geding tussen:
[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend in Heerlen
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 21 oktober 2019 heeft het college besloten om door [wederpartij A] verbeurde dwangsommen van € 16.000,00 in te vorderen.
Bij besluit van 22 oktober 2019 heeft het college besloten om door [wederpartij B] verbeurde dwangsommen van € 16.000,00 in te vorderen.
Bij besluit van 23 juni 2021 heeft het college het door [wederpartijen] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2022 heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juni 2021 vernietigd, en bepaald dat het college een nieuwe beslissing op het bezwaar van [wederpartijen] moet nemen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
[wederpartijen] hebben een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 25 mei 2022 heeft het college het bezwaar van [wederpartijen] tegen de besluiten van 21 oktober 2019 en 22 oktober 2019 opnieuw ongegrond verklaard.
[wederpartijen] hebben daartegen beroepsgronden ingediend.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting over het beroep tegen het besluit van 25 mei 2022 gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S. Coban-Aslan en E. Stroeken, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartijen] zijn echtgenoten en waren samen eigenaar van een recreatiewoning, die zij samen bewoonden. Bij besluiten van 14 februari 2018 heeft het college [wederpartijen] allebei afzonderlijk een last onder dwangsom opgelegd, omdat zij de recreatiewoning in strijd met het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Heel-Panheel" gebruikten voor permanente bewoning. Het college heeft [wederpartijen] gelast om binnen één jaar het hoofdverblijf in de recreatiewoning te beëindigen en beëindigd te houden. Als [wederpartijen] geen gehoor geven aan de last, verbeuren zij ieder een dwangsom van € 4.000,00 per maand, met een maximum van € 48.000,00. [wederpartijen] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 14 februari 2018.
Bij besluiten van 21 en 22 oktober 2019 heeft het college bij zowel [wederpartij B] als [wederpartij A] € 16.000,00 aan dwangsommen ingevorderd. Het college heeft dit gedaan, omdat [wederpartijen] volgens hem pas vier maanden na afloop van de gegeven termijn aan de opgelegde last hebben voldaan.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was om de dwangsommen in te vorderen. Maar volgens de rechtbank heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom het de verbeurde dwangsommen volledig en niet gedeeltelijk heeft ingevorderd.
Beoordeling van het hoger beroep
2. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de verbeurde dwangsommen volledig heeft ingevorderd. Het college voert aan dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat het gedeeltelijk van invordering had moeten afzien. Volgens het college heeft de rechtbank ten onrechte van belang geacht dat er sprake is van financiële verwevenheid tussen [wederpartijen].
2.1. Bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb; Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
2.2. Op basis van de stukken en wat op de zitting is gezegd stelt de Afdeling het volgende vast. [wederpartijen] zijn op (hoge) leeftijd. Zij zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. Op de zitting heeft het college bevestigd dat als een van beide echtelieden komt te overlijden, de schuld van de een op de ander en/of andere erfgenamen over gaat. Het college heeft een berekening van de afloscapaciteit van [wederpartijen] gemaakt. Op basis van die berekening heeft het college een betalingsregeling met hen getroffen. Die betalingsregeling houdt in dat zij € 50,00 per persoon per maand betalen, dus € 100,00 per maand samen. Dit betekent dat het ruim 26 jaar zal duren voordat de dwangsommen door dit bejaarde echtpaar zullen zijn betaald. Als een van beiden komt te overlijden en de schuld overgaat op de ander, zal dat nog (veel) langer duren. Op de zitting heeft het college desgevraagd laten weten dat de gemeente Maasgouw geen beleid kent waarbij na een bepaalde periode van betalingen de restschuld wordt kwijtgescholden. Er is dus geen stip aan de horizon wanneer de schuld uit de wereld is. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat de overtreding al lange tijd geleden is beëindigd. Niet is gebleken van een risico dat die overtreding opnieuw zal plaatsvinden.
Op zich wijst het college er terecht op dat veel gewicht moet worden toegekend aan het belang van invordering vanwege het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Het college hoefde daarom niet geheel van invordering af te zien. Maar gelet op de omstandigheden die hiervoor zijn vastgesteld is de Afdeling van oordeel dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat het volledig invorderen van de dwangsommen zodanig negatieve gevolgen heeft voor [wederpartijen] dat dit in verhouding tot de daarmee gemoeide doelen onevenredig is. Het college had daarom in dit geval gedeeltelijk van invordering moeten afzien. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college het besluit van 23 juni 2021 niet deugdelijk heeft gemotiveerd en heeft dat besluit daarom terecht vernietigd.
Het betoog slaagt niet.
3. Gelet op wat hiervoor is overwogen, behoeft wat het college nog meer heeft aangevoerd geen bespreking meer.
Conclusie hoger beroep
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden.
6. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb moet griffierecht van het college worden geheven.
Beroep tegen het besluit van 25 mei 2022
7. Bij besluit van 25 mei 2022 heeft het college het bezwaar van [wederpartijen] opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
8. De gronden van [wederpartijen] over de hoogte van de opgelegde dwangsommen en het verbeurd zijn van dwangsommen zijn gronden waarover de rechtbank al uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven. [wederpartijen] hebben daartegen geen hoger beroep ingesteld. Dat oordeel van de rechtbank kan niet alsnog ter discussie worden gesteld in het kader van het beroep tegen het besluit van 25 mei 2022. De Afdeling zal die gronden daarom niet verder bespreken.
9. [wederpartijen] betogen dat het college ook in het nieuwe besluit op bezwaar niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verbeurde dwangsommen volledig worden ingevorderd. Zij stellen dat het college in het nieuwe besluit ten onrechte heeft volstaan met het herhalen van zijn eerder ingenomen standpunt.
9.1. Het college heeft bij het nieuwe besluit op bezwaar zijn beslissing om de verbeurde dwangsommen volledig in te vorderen gehandhaafd. Maar zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, had het college vanaf een nader door het college te bepalen moment van verdere invordering moeten afzien. Gelet hierop slaagt het betoog. Anders dan [wederpartijen] ook hebben betoogd, hoefde het college ten tijde van het bestreden besluit niet volledig van invordering (bij een van hen) af te zien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dat zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat [wederpartijen] niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun financiële draagkracht zo beperkt is dat zij tot het nader door het college te bepalen moment in het geheel geen maandelijkse aflossingen kunnen betalen.
Conclusie beroep tegen het besluit van 25 mei 2022
10. Het beroep tegen het besluit van 25 mei 2022 is gegrond. Dat besluit moet worden vernietigd.
11. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Slotoverwegingen
12. Omdat de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het besluit van 25 mei 2022 wordt vernietigd, moet het college een nieuw besluit op bezwaar nemen. Het college zal bij het nemen van dat nieuwe besluit alsnog gedeeltelijk van invordering moeten afzien. Dat kan het college bijvoorbeeld doen door de in te vorderen dwangsommen te verminderen tot concrete bedragen waarmee recht wordt gedaan aan de bijzondere omstandigheden van dit geval, of door de invordering zo te beperken dat na het nakomen van de afgesproken betalingsregeling gedurende (nog) enkele jaren, het resterende deel van de dwangsommen niet meer wordt ingevorderd. Dit betekent dat [wederpartijen] met inachtneming van hun huidige, door de gemeente berekende financiële draagkracht aan de getroffen betalingsregeling moeten blijven voldoen totdat de gedeeltelijk ingevorderde dwangsommen zijn betaald.
13. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw van 25 mei 2022, kenmerk Z/22/1659802, gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw van 25 mei 2022, kenmerk Z/22/1659802;
IV. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw tot vergoeding van bij [wederpartijen] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 25 mei 2022 opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.360,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Roessel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
457