ECLI:NL:RVS:2025:6170

ECLI:NL:RVS:2025:6170, Raad van State, 17-12-2025, 202307397/1/R3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer 202307397/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 10 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de Burgemeester Marijnenlaan 123 en 125 in Den Haag, naar twaalf short stay-appartementen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd dat de short stay-appartementen een hotelfunctie hebben. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen toereikende motivering heeft gegeven over de fietsparkeerbehoefte van het bouwplan. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, waarna [partij] en anderen voorwaardelijk incidenteel hoger beroep hebben ingesteld. [partij] en anderen zijn omwonenden van de locatie waar het bouwplan zal worden gerealiseerd. Zij zijn het niet eens met het bouwplan, want zij vrezen een verslechtering van het woon- en leefklimaat, waaronder een toename van de parkeerdruk.

Uitspraak

202307397/1/R3.

Datum uitspraak: 17 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2023 in zaak nr. 21/6094 in het geding tussen:

[partij] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2020 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het transformeren van een kantoorgebouw aan de Burgemeester Marijnenlaan 123 en 125 in Den Haag, naar twaalf short stay-appartementen.

Bij besluit van 2 augustus 2021 heeft het college het door [partij] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 oktober 2023 heeft de rechtbank het door [partij] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 augustus 2021 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. [partij] en anderen hebben voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij] en anderen en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. van der Heijden, advocaat in Amsterdam, [partij] en anderen, bij monde van [gemachtigden], bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Yildirim, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 juni 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. De aanvraag van 4 juni 2020 is gedaan voor het transformeren van een leegstaand kantoorgebouw naar 12 short stay-appartementen. In de aanvraag staat "logiesfunctie" vermeld.

3. Op de locatie geldt de beheersverordening "Willemspark e.o.", met de bestemming "Gemengd". Ook geldt ter plaatse het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren".

4. Bij besluit van 10 september 2020 heeft het college de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Bij besluit van 2 augustus 2021 heeft het college dat besluit gehandhaafd, en aangevuld met een omgevingsvergunning voor de activiteit planologisch strijdig gebruik op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 6a, onder a, onder 1, van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren", voor het afwijken van de parkeereis.

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd dat de short stay-appartementen een hotelfunctie hebben. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen toereikende motivering heeft gegeven over de fietsparkeerbehoefte van het bouwplan.

6. [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank, waarna [partij] en anderen voorwaardelijk incidenteel hoger beroep hebben ingesteld. [partij] en anderen zijn omwonenden van de locatie waar het bouwplan zal worden gerealiseerd. Zij zijn het niet eens met het bouwplan, want zij vrezen een verslechtering van het woon- en leefklimaat, waaronder een toename van de parkeerdruk.

Het hoger beroep van [appellant]

Is het bouwplan in strijd met de beheersverordening?

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen. Volgens [appellant] is het bouwplan in overeenstemming met de bestemming "Gemengd", want het voorziene gebruik van het gebouw voldoet aan de begripsomschrijving van "hotel en/of pension" in artikel 1.58 van de regels van de beheersverordening. De bedrijfsvoering in het gebouw zal namelijk hoofdzakelijk zijn gericht op tijdelijke huisvesting met gedeeltelijke verzorging. Zo zijn de appartementen gestoffeerd en gemeubileerd, voorzien van linnen- en beddengoed, wc-papier, een volledig ingerichte keuken, een tv met kabelzenders, een kluisje en internet. Ook worden de algemene ruimten schoongemaakt en zijn daar een wasmachine en droger aanwezig. Verder is er 24-uurs camerabewaking, kan er worden in- en uitgecheckt en is er een eigen parkeergelegenheid. Daarnaast worden aanvullende voorzieningen aangeboden zoals een service voor het opmaken van bedden en het schoonmaken van de kamers, een strijk- en stomerijservice en een maaltijdservice. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:588) voert [appellant] aan dat het leveren van beddengoed en het uit handen nemen van schoonmaak kenmerkend zijn voor hotels. Verder voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het ontbreken van een algemene ruimte om maaltijden te nuttigen, want tegenwoordig verstrekken veel hotels geen ontbijt meer. [appellant] wijst op de uitspraak van de Afdeling van 21 juni 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2401), waarin is overwogen dat de bedrijfsvoering in een hotel niet noodzakelijk hoeft te zijn gericht op het verstrekken van etenswaren.

[appellant] betoogt dat hij erop mocht vertrouwen dat het bouwplan in overeenstemming is met de beheersverordening, omdat het college daar in de besluitvorming ook steeds van is uitgegaan. [appellant] voert aan dat er op verschillende locaties in Den Haag vergelijkbare appartementenhotels zijn gevestigd op gronden waar hotels zijn toegestaan met een identieke begripsomschrijving als in artikel 1.58 van de regels van beheersverordening. Dat short stay in de gemeente Den Haag wordt beschouwd als een vorm van logies die is toegestaan binnen een hotelfunctie, blijkt ook uit het Haags Hotelbeleid 2021, de motie "Beter sturen op short stay en hotelfunctie" en uit informatie op de gemeentelijke website. [appellant] wijst verder op de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 11 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12623), onder 2, 4 en 4.2, en 13 juli 2021 (ECLI:NL:RBDHA:2021:7674), onder 4.1, en op de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:230).

7.1. Op grond van artikel 5.1 van de regels van de beheersverordening zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden bestemd voor onder meer "wonen" en "hotel".

Op grond van artikel 1.58 van de regels wordt "hotel en/of pension" als volgt gedefinieerd: "elk gebouw dan wel een gedeelte van een gebouw, alsmede de daarbij behorende voorzieningen zoals terrassen, tuinen, zwembaden, tennisbanen, erven of terreinen of gedeelten daarvan, waar de bedrijfsvoering hoofdzakelijk is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting met gehele of gedeeltelijke verzorging.

7.2. De Afdeling volgt het betoog van [appellant] niet. Zij is er namelijk niet van overtuigd geraakt dat het beoogde gebruik van het gebouw kan worden aangemerkt als "hotel" als bedoeld in artikel 5.1 van de regels van de beheersverordening. Daarvoor is het volgende van belang.

In de toelichting bij de aanvraag staat dat de bedrijfsvoering in het gebouw is gericht op het bedrijfsmatig verlenen van tijdelijke huisvesting in een gestoffeerd en gemeubileerd appartement met eigen voorzieningen, voor een maximale duur van 4 maanden. De Afdeling ziet in die toelichting geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de bedrijfsvoering hoofdzakelijk zal zijn gericht op gedeeltelijke verzorging die gebruikelijk is bij hotels. De omstandigheid dat hotels tegenwoordig niet altijd over een algemene ruimte beschikken om maaltijden te nuttigen, betekent nog niet dat het door [appellant] beoogde gebruik van het gebouw kan worden aangemerkt als "hotel" zoals omschreven artikel 1.58 van de beheersverordening. Dat eenmalig wordt voorzien in linnengoed en een eindschoonmaak rechtvaardigt evenmin de conclusie dat sprake is van een hotelfunctie, waarbij het gebruikelijk is dat de kamers doorlopend worden schoongemaakt en steeds wordt voorzien in schoon linnengoed. De Afdeling ziet de hotelfunctie ook niet terug in de overige diensten die volgens de toelichting bij de aanvraag onder "gedeeltelijke verzorging" zouden vallen, want die diensten onderscheiden zich niet van diensten die ook gangbaar zijn bij de reguliere (tijdelijke) verhuur van woonruimte. Dat er aanvullende diensten mogelijk zijn zoals een service voor het opmaken van bedden, het schoonmaken van de kamers, een maaltijdservice en strijk/stomerijservice leidt niet tot een andere conclusie, want de rechtbank heeft terecht overwogen dat deze diensten optioneel zijn en dus geen standaard onderdeel van de bedrijfsvoering.

De verschillende uitspraken waar [appellant] naar verwijst zijn niet relevant voor de hier verleende omgevingsvergunning, alleen al omdat die uitspraken niet gaan over de functie "hotel" zoals omschreven in, of vergelijkbaar met artikel 1.58 van de beheersverordening.

Voor zover [appellant] een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, slaagt dat niet. Het feit dat het college de vergunning aanvankelijk heeft verleend, geeft nog geen aanspraak op handhaving van die vergunning. De rechtbank heeft immers terecht geconcludeerd dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd dat het bouwplan in overeenstemming is met de beheersverordening. Voor zover er omgevingsvergunningen zijn verleend voor short stay-appartementen op de door [appellant] genoemde locaties in Den Haag, heeft het college toegelicht dat die besluitvorming dateert van vóór de aangevallen uitspraak. Volgens vaste rechtspraak strekt een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat het bestuursorgaan een gemaakte fout moet herhalen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1290), onder 6.2.

De verwijzingen van [appellant] naar het Haags hotelbeleid 2021 en de motie "Beter sturen op short stay en hotelfunctie" kunnen niet tot een ander oordeel leiden, alleen al omdat deze documenten dateren van 7 december 2021 en 8 juni 2023, dus na het nemen van het besluit op bezwaar.

De betogen slagen niet.

Fietsparkeerbehoefte

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de fietsparkeerbehoefte van het plan niet toereikend is gemotiveerd. De fietsparkeerbehoefte bedraagt volgens hem 1,2 fietsparkeerplaatsen en ligt daarmee ruimschoots onder de ondergrens van 10 fietsparkeerplaatsen, zodat het bouwplan is vrijgesteld van de fietsparkeereis.

8.1. Op grond van artikel 5.1 van het bestemmingsplan "Parapluherziening (fiets)parkeren" moet het college beoordelen of sprake is van voldoende fietsgelegenheid op basis van de fietsparkeernormen, fietsparkeereisen en berekeningsmethode zoals opgenomen in de beleidsregel Fietsparkeernormen Den Haag 2016, met kenmerk RIS 294386.

8.2. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank onder 10.3 van de uitspraak en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Het college heeft in eerste instantie aansluiting gezocht bij de normen voor de functie "wonen" in de beleidsregel Fietsparkeernormen, maar bij de fietsparkeerbehoefte voor die functie wordt verondersteld dat er, volgens de eisen in het Bouwbesluit, een berging voor fietsen aanwezig is. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college niet toereikend heeft gemotiveerd hoe aan die eis wordt voldaan. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de fietsparkeerbehoefte onder de vrijstellingsgrens van tien fietsparkeerplekken valt, maar dit vindt de Afdeling geen dragende motivering. Daarbij is het college namelijk uitgegaan van de functie "hotel" in de beleidsregel Fietsparkeernormen, terwijl onder 7.2 van deze uitspraak is geoordeeld dat daarvan geen sprake is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten

9. Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond.

[partij] en anderen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door [appellant] ingestelde hoger beroep gegrond is. Omdat dit hoger beroep ongegrond is, komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke bespreking van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [partij] en anderen. Dit hoger beroep is vervallen.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden die gemaakt zijn in verband met het hoger beroep en het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

11. [appellant] heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

11.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.

11.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [partij] en anderen ontvangen op 18 oktober 2020. De redelijke termijn is in deze procedure dus met één jaar en afgerond twee maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college, de rechtbank en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 2/7e deel aan het college, 4/7e deel aan de rechtbank en voor 1/7e deel aan de Afdeling worden toegerekend.

11.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00.

Proceskosten

12. De Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en het college moeten de proceskosten vergoeden die [appellant] heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om aan [appellant] een schadevergoeding van € 428,60 te betalen;

IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.071,40 te betalen (€ 857,10 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en € 214,30 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties);

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, (€ 151,20 te voldoen door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, € 151,20 te voldoen door de minister van Justitie en Veiligheid en

€ 151,20 te voldoen door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.

w.g. Ten Veen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025

933

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?