ECLI:NL:RVS:2025:6171

ECLI:NL:RVS:2025:6171, Raad van State, 17-12-2025, 202306458/1/R2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer 202306458/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de raad van de gemeente Boxtel het bestemmingsplan "Achter den Eijngel 2022" vastgesteld. Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college een omgevingsvergunning voor de bouw van 65 woningen verleend. Het plan heeft betrekking op onbebouwd gebied aan de zuidzijde van de kern Lennisheuvel. In aansluiting op al bestaande bebouwing maakt het plan woningbouw mogelijk. Het gaat om de ontwikkeling van 87 grondgebonden woningen in de vorm van vrijstaande, twee-aaneen gebouwde, geschakelde en aaneengebouwde woningen, en eventueel boven-/benedenwoningen. De bedoeling is dat de zuidelijke bebouwingsrand van Lennisheuvel op een geleidelijke wijze wordt afgerond in aansluiting op het oevergebied van de Heerenbeekloop. Het gebied waar de nieuwe woningen zijn voorzien grenst aan de Heerenbeekloop. Een gedeelte van de Heerenbeekloop is onderdeel van het plangebied. Het Groene Hart betoogt dat de buitenstedelijke kernuitbreiding van woningen waarin het plan voorziet niet nodig is.

Uitspraak

202306458/1/R2.

Datum uitspraak: 17 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging Het Groene Hart Brabant, gevestigd in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel,

appellante,

en

1. de raad van de gemeente Boxtel,

2. het college van burgemeester en wethouders van Boxtel,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Achter den Eijngel 2022" vastgesteld.

Bij besluit van 5 september 2023 heeft het college een omgevingsvergunning voor de bouw van 65 woningen verleend.

Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt.

Tegen deze gecoördineerd voorbereide en bekendgemaakte besluiten heeft Het Groene Hart beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] B.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het Groene Hart en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 oktober 2025, waar Het Groene Hart, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.H.L. Vossen en mr. S. Dikmans, zijn verschenen. Ook is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J.J.H. Hulshof, advocaat in Nijmegen, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen de besluiten van 4 juli 2023 en 5 september 2023 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van die besluiten bepalend.

Inleiding

2. Het plan heeft betrekking op onbebouwd gebied aan de zuidzijde van de kern Lennisheuvel. In aansluiting op al bestaande bebouwing maakt het plan woningbouw mogelijk. Het gaat om de ontwikkeling van 87 grondgebonden woningen in de vorm van vrijstaande, twee-aaneen gebouwde, geschakelde en aaneengebouwde woningen, en eventueel boven-/benedenwoningen. De bedoeling is dat de zuidelijke bebouwingsrand van Lennisheuvel op een geleidelijke wijze wordt afgerond in aansluiting op het oevergebied van de Heerenbeekloop. Het gebied waar de nieuwe woningen zijn voorzien grenst aan de Heerenbeekloop. Een gedeelte van de Heerenbeekloop is onderdeel van het plangebied.

3. Voor deze ontwikkeling is eerder bij besluit van 10 april 2019 een bestemmingsplan vastgesteld, namelijk het gelijknamige bestemmingsplan "Achter den Eijngel" (hierna: het voorgaande bestemmingsplan). Naar aanleiding van daartegen ingestelde beroepen, heeft de Afdeling met haar uitspraak van 9 juni 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1217) dat bestemmingsplan vernietigd. De reden voor de vernietiging was dat het bestemmingsplan in strijd met het destijds geldende artikel 11.1 van de Verordening ruimte van de provincie Noord-Brabant was vastgesteld, omdat het plan niet strekte tot verwezenlijking, behoud en beheer van een ecologische verbindingszone (hierna: EVZ) met een breedte van ten minste 50 m. De Afdeling kwam tot dat oordeel omdat aan een deel van de gronden in het plangebied die waren aangewezen als ‘Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone’, een woonbestemming was toegekend.

4. Het voorliggende plan is vergelijkbaar met het door de Afdeling vernietigde bestemmingsplan. Uit de plantoelichting blijkt dat na de uitspraak van 9 juni 2021 is bezien of en hoe woningbouw op de betreffende gronden mogelijk is. In de plantoelichting staat daarover dat, hoewel de EVZ feitelijk al was gerealiseerd, het voorgaande bestemmingsplan formeel in strijd was met de destijds geldende Omgevingsverordening, vanwege het daarin opgenomen werkingsgebied van de ecologische verbindingszone. In de aanloop naar de vaststelling van het voorliggende plan is daarom bezien welke stappen moeten worden gezet om alsnog woningbouw in het plangebied juridisch-planologisch mogelijk te maken. Onderdeel daarvan is het aanpassen van enkele werkingsgebieden uit de provinciale Omgevingsverordening zodat deze samenvallen met de feitelijk gerealiseerde EVZ, waartoe een besluit tot herbegrenzing is genomen. Een gedeelte van de Heerenbeekloop is in het plangebied van het voorliggende plan opgenomen en voorzien van een natuurbestemming.

Het bestemmingsplan

Toetsingskader en de uitspraak van 9 juni 2021

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

6. Voordat zij de beroepsgronden van Het Groene Hart inhoudelijk bespreekt, stelt de Afdeling vast dat een (groot) deel van de gronden die Het Groene Hart heeft aangevoerd, eerder zijn aangevoerd tegen het vernietigde bestemmingsplan. Die gronden heeft de Afdeling besproken in haar uitspraak van 9 juni 2021. Hoewel het voorliggende plan op zijn eigen merites moet worden beoordeeld, laat dat onverlet dat de Afdeling met de uitspraak van 9 juni 2021 al een oordeel heeft gegeven over de woningbouwontwikkeling waarin het bestemmingsplan dat in die uitspraak aan de orde was voorzag en het plan nu ook weer in voorziet. Daarom zal bij de bespreking van sommige beroepsgronden worden verwezen naar de uitspraak van 9 juni 2021.

Noodzaak voorziene woningen

7. Het Groene Hart betoogt dat de buitenstedelijke kernuitbreiding van woningen waarin het plan voorziet niet nodig is. Het plan is vastgesteld in de veronderstelling dat in de gemeente verder geen woningen meer konden worden gebouwd. Maar inmiddels ligt er een onherroepelijk bestemmingsplan voor een geheel nieuwe woonwijk ter plaatse van buurtschap Selissen, waarbij in zo’n 565 woningen wordt voorzien. Daarom ontbreekt de urgentie om de met het plan voorziene woningen te bouwen.

7.1. Met dit betoog doet Het Groene Hart een beroep op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking. Het standpunt van Het Groene Hart komt erop neer dat de raad in strijd met die bepaling niet voldoende heeft gemotiveerd dat behoefte bestaat aan de voorziene woningen en waarom die woningen niet binnen bestaand stedelijk gebied kunnen worden gerealiseerd.

7.2. Paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting gaat over de ladder voor duurzame verstedelijking. Daaruit volgt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling en de ontwikkeling deels in bestaand en deels buiten bestaand stedelijk gebied is voorzien. Bezien is of binnen de gemeente en de regio behoefte is aan de voorziene woningen. Voor de woningbouwopgave binnen de gemeente en binnen de regio wordt in de plantoelichting verwezen naar de gemeentelijke woonvisie en de regionale agenda wonen. Op basis daarvan is in de plantoelichting geconstateerd dat de woningbouwontwikkeling voorziet in een actuele behoefte.

7.3. De Afdeling stelt vast dat in de uitspraak van 9 juni 2021, naar aanleiding van een onder meer door Het Groene Hart aangedragen beroepsgrond, ook is beoordeeld of de geplande woningbouw voorziet in een behoefte en deels buiten bestaand stedelijk gebied kon worden voorzien. In die uitspraak is de Afdeling uitgebreid ingegaan op wat daarover is aangevoerd, bezien in het licht van het standpunt van de raad en de motivering in de plantoelichting over de ladder voor duurzame verstedelijking. In de uitspraak van 9 juni 2021 is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat de raad de behoefte aan de in het plan voorziene woningen voldoende heeft beschreven en ervoor mocht kiezen om de woningbouw (deels) buiten bestaand stedelijk gebied te voorzien.

De Afdeling ziet in wat Het Groene Hart heeft aangevoerd geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen. Daarbij weegt de Afdeling mee dat Het Groene Hart, ten opzichte van haar betoog zoals is weergegeven in de uitspraak van 9 juni 2021, geen nieuwe argumenten naar voren heeft gebracht. De woningbouwontwikkeling "Selissen", waarbij overigens in ongeveer 465 woningen wordt voorzien en waarvoor in 2019 een bestemmingsplan is vastgesteld, heeft Het Groene Hart blijkens de uitspraak van 9 juni 2021 ook genoemd in haar eerdere betoog en is door de Afdeling in haar beoordeling betrokken. Dat volgens Het Groene Hart binnen de gemeente plannen zijn voor een woonwijk van 2.000 woningen, zoals zij op de zitting heeft gesteld, leidt evenmin tot het oordeel dat de met het plan geplande woningen niet voorzien in een behoefte, nu zij die uitlating niet heeft geconcretiseerd, niet is gebleken van een dergelijk voornemen en, als dat voornemen er al zou zijn, dit niet betekent dat de met het plan voorziene woningen nu niet voorzien in een actuele behoefte.

Het betoog slaagt niet.

Strijd met de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

8. Het Groene Hart betoogt dat het plan in strijd met de provinciale verordening, ten tijde van de vaststelling van het plan de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV), is vastgesteld.

9. Het Groene Hart heeft op de zitting haar beroepsgrond, die erover gaat dat met het plan niet wordt voldaan aan de in artikel 3.25, onder a, van de IOV gestelde eis van 50 m voor de EVZ, ingetrokken. Dat artikel zal dus niet bij de beoordeling worden betrokken.

Aantasting van het Natuur Netwerk Brabant

10. Het Groene Hart betoogt dat het plan in strijd met de IOV leidt tot aantasting van de gerealiseerde EVZ bij de Heerenbeekloop, dat onderdeel is van het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB). Daarover voert Het Groene Hart aan dat de IOV voorschrijft dat in geval een nieuwe ontwikkeling grenzend aan het NNB mogelijk wordt gemaakt, aangetoond dient te worden dat voldoende rust en stilte geschapen wordt. Het huidig functioneren van het NNB ter plaatse is afhankelijk van het aanwezige rust- en stilteniveau. In de huidige situatie fungeert het onbebouwde gedeelte waar de woningen op zijn voorzien als een bufferzone tussen Lennisheuvel en het zuidelijker gelegen NNB. Het is evident dat de voorziene bebouwing op de bestaande bufferstrook een aanslag betekent op het rust- en stilteniveau en dus een negatief effect heeft op het NNB. Woningbouw en bescherming van de natuur gaan immers niet samen. Daardoor is er volgens Het Groene Hart geen sprake van dat het plan strekt tot de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken. Volgens Het Groene Hart is onvoldoende onderzoek gedaan naar de negatieve effecten van het plan op het NNB. Vanwege de voorziene woningbouw moet ernstig worden betwijfeld of een voldoende ecologische functionaliteit van het NNB verzekerd is. Daar komt bij dat niet alleen de woningen zullen leiden tot een aantasting van het NNB, maar ook het wandelpad dat middels een brug dwars door het NNB is voorzien. Dat sprake is van een aantasting van het NNB heeft de raad niet onderkend, zodat ook niet in de vereiste compensatie vanwege de aantasting wordt voorzien.

10.1. Een gedeelte van het plangebied is onderdeel van het NNB. Dat blijkt uit de kaart behorende bij de IOV. Het gaat dan om de Heerenbeekloop en de omringende oevers, ten zuiden van de voorziene woonbebouwing, die voor een gedeelte in het plangebied liggen. Paragraaf 3.2.3 van de IOV regelt de bescherming van het NNB. De Afdeling begrijpt het betoog van Het Groene Hart zo dat zij een beroep doet op de artikelen 3.15 en 3.16 van de IOV. Die bepalingen luiden, voor zover van belang:

"Artikel 3.15 Bescherming Natuur Netwerk Brabant

1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;

b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.

[…]

Artikel 3.16 Externe werking Natuur Netwerk Brabant

1. In aanvulling op de Wet natuurbescherming bepaalt een bestemmingsplan dat een ontwikkeling toelaat in Stedelijk Gebied of in Landelijk Gebied, die een aantasting geeft van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant, dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 Compensatie.

[…]".

- Artikel 3.15 van de IOV

10.2. Over de gestelde strijd met artikel 3.15 van de IOV overweegt de Afdeling als volgt.

10.3. Uit wat hiervoor onder 10.1 is overwogen, blijkt dat de gronden waar de woningen zijn voorzien, en die dus een woonbestemming hebben, geen onderdeel zijn van het NNB. De zuidelijk gelegen Heerenbeekloop en de oevers zijn dat wel. Die hebben met het voorliggende plan de bestemming "Natuur" gekregen en de gebiedsaanduidingen "milieuzone - beekherstel" en "milieuzone - ecologische verbindingen". Uit artikel 4.1, onder a, van de planregels volgt dat gronden met deze bestemming zijn aangewezen voor het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de natuurlijke, natuurwetenschappelijke en landschappelijke waarden, archeologische, cultuurhistorische en aardkundige waarden en kenmerken van de gronden. Uit onder c van dat artikel volgt dat op gronden met die aanduiding ook onverharde voet- en/of struinpaden met bijbehorende voorzieningen waaronder een vlonderpad zijn toegestaan. Onder e en f van dat artikel bepalen verder dat gronden met de hiervoor genoemde aanduidingen bestemd zijn voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van een ecologische verbindingszone en de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen.

10.4. De raad acht deze bestemming, met de gebiedsaanduidingen, passend in het kader van de bescherming van het NNB en benadrukt dat de bestemming de grenzen van het werkingsgebied van het NNB volgt. Het is verder de bedoeling dat vanaf het woongebied een vlonderpad over de Heerenbeekloop komt, die uitkomt op de zuidoever van de watergang. Volgens de raad leidt het voorziene vlonderpad niet tot een aantasting van de EVZ, en daarmee ook niet van het NNB. Alleen de zuidoever wordt toegankelijk voor recreatief medegebruik; de noordoever wordt daarvoor afgesloten. Daarbij heeft de raad gewezen op het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd, en op de "Kwaliteitsverbetering ecologische verbindingszone Heerenbeekloop" (ook wel: planvisie zuidrand), dat als bijlage 3 bij de planregels is gevoegd. Artikel 4.1, onder b, van de planregels bepaalt dat gronden met de bestemming "Natuur" zijn aangewezen voor landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering ecologische verbindingszone Heerenbeekloop conform het als bijlage 2 en bijlage 3 bij de planregels opgenomen inpassingsplan en planvisie zuidrand. Verder zijn in de artikelen 14.2 en 14.3 van de planregels voorwaardelijke verplichtingen opgenomen ten aanzien van de uitvoering en instandhouding van het landschappelijk inpassingsplan en de kwaliteitsverbeteringsmaatregelen. Alles bijeengenomen stelt de raad zich op het standpunt dat het plan niet in strijd met artikel 3.15 van de IOV is vastgesteld.

10.5. De Afdeling ziet gelet op de aan de Heerenbeekloop toegekende bestemming en gebiedsaanduidingen, met de daarbij behorende doeleindenomschrijving, geen reden voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.15 van de IOV leidt tot een aantasting van het NNB. De Afdeling volgt de raad daarbij ook in zijn standpunt dat de toegestane onverharde voet- en/of struinpaden, en daarbij inbegrepen het voorziene vlonderpad, niet leidt tot een aantasting van het NNB. Daarvoor vindt de Afdeling van belang dat uit de maatregelen voor kwaliteitsverbetering, zoals is neergelegd in bijlage 3 van de planregels, blijkt dat de noordoever zal worden afgesloten voor recreatief medegebruik. Alleen de zuidoever zal daarvoor toegankelijk zijn, en die oever wordt, zoals ook met partijen op de zitting is vastgesteld onder meer op basis van beelden van Google Streetview, in de bestaande situatie al als wandelroute gebruikt.

In zoverre slaagt het betoog niet.

10.6. Voor zover Het Groene Hart erop wijst dat in artikel 4, onder e, van de planregels ten onrechte geen minimale zonebreedte en het scheppen van rust en stilte niet als doeleinde is opgenomen, overweegt de Afdeling dat een verplichting daartoe niet volgt uit artikel 3.15 van de IOV. De Afdeling deelt verder niet de opvatting van Het Groene Hart dat de bescherming van het NNB met het plan onvoldoende is verzekerd, omdat artikel 1 van de planregels geen nadere omschrijving geeft van ‘natuur’. De doeleindenomschrijving geeft invulling aan de bestemming van deze gronden en in de planregels komt het begrip ‘natuur’ niet op zichzelf voor.

10.7. Voor zover Het Groene Hart in dit verband stelt dat de gebiedsaanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen" niet helemaal overeenkomt met de bestemming "Natuur", omdat een strook van ongeveer 5 m breed die aanduiding niet heeft, overweegt de Afdeling het volgende.

De raad heeft in het aanvullend verweerschrift erkend dat de gebiedsaanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen" abusievelijk niet goed op de verbeelding is opgenomen. Die aanduiding zou gelijk moeten lopen met de gronden die de bestemming "Natuur" hebben, maar dat is niet het geval. De raad heeft door middel van een uitsnede van de verbeelding laten zien hoe de gebiedsaanduiding op de verbeelding moet worden openomen, waarbij die aanduiding de begrenzing volgt van het vlak van de gronden die een natuurbestemming hebben. De raad heeft op dit punt de Afdeling verzocht om op die wijze zelf in de zaak te voorzien.

Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. In zoverre slaagt het betoog. In de conclusie zal de Afdeling bezien welke gevolgen dit heeft.

- Artikel 3.16 van de IOV

10.8. Over de gestelde strijd met artikel 3.16 van de IOV overweegt de Afdeling het volgende.

10.9. Tussen partijen is niet in discussie dat de woningen die het plan mogelijk maakt niet zijn voorzien in het NNB. Wel zijn de woningen voorzien binnen de gronden die op grond van de IOV zijn aangewezen als ‘Landelijk Gebied’. Dat betekent dat het bestemmingsplan een ontwikkeling toelaat binnen ‘Landelijk gebied’, zoals bedoeld in artikel 3.16, eerste lid, van de IOV. Op grond van die bepaling moet, als de woningbouwontwikkeling leidt tot een aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het NNB, het bestemmingsplan regelen dat de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, overeenkomstig artikel 3.22 van de IOV.

10.10. Uit wat Het Groene Hart naar voren heeft gebracht, blijkt dat zij met name vreest voor een aantasting van het NNB door het verminderen dan wel verdwijnen van rust en stilte in het gebied rondom het NNB vanwege de geplande woningbouw.

10.11. De raad heeft toegelicht dat ten aanzien van de externe werking van de planontwikkeling op het functioneren van het aangrenzende NNB in het bestemmingsplantraject onderzoek door een ecoloog is uitgevoerd. Het gaat om het rapport van Nipa milieutechniek van 13 maart 2023. De raad wijst erop dat op pagina 13 van het rapport het volgende is geconcludeerd: "In de nieuwe woonwijk worden enkel gezinswoningen gerealiseerd, waardoor hier weinig verstorende activiteiten zullen plaatsvinden. Daarbij zal de nieuwe inrichting van het zuidelijke deel een buffer creëren tussen het NNB en de woonhuizen. Door de groene inrichting van de woonwijk is er een geleidelijke overgang te verwachten tussen de twee gebieden die ervoor zorgt dat verstorende effecten worden tegengehouden. Hierdoor is er geen negatief effect op de waarden van het NNB te verwachten." De raad stelt zich daarom op het standpunt dat de voorziene woningbouw geen negatieve effecten op het NNB heeft, zodat het plan niet in strijd met artikel 3.16 van de IOV vastgesteld.

10.12. In wat Het Groene Hart heeft aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van de raad, onderbouwd met het rapport van Nipa milieutechniek, dat de woningbouwontwikkeling geen negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken van het NNB heeft. Het Groene Hart stelt wel dat waarden als rust en stilte essentieel zijn voor het functioneren van (dit gedeelte van) het NNB, maar zij heeft dat verder niet onderbouwd. Daar staat tegenover dat in het rapport van Nipa milieutechniek gewezen wordt op een strook groene inrichting tussen de voorziene woningen en het NNB. De betreffende gronden hebben daartoe de bestemming "Groen" en zijn daarmee onder meer aangewezen voor de landschappelijke inpassing conform het als bijlage 2 bij de planregels opgenomen inpassingsplan, waartoe in artikel 14.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen. Verder is in het rapport bezien wat de verstoring door licht en geluid, en optische verstoring, in zekere zin dus de door Het Groene Hart gestelde achteruitgang van rust en stilte, voor effecten heeft op het NNB. De conclusie van Nipa milieutechniek is dat - kort gezegd - gelet op de inrichting van de woonwijk en de voorziene groene strook deze vormen van verstoring nagenoeg niet aanwezig zullen zijn en dus geen negatieve effecten te verwachten zijn op de waarden van het NNB. Het Groene Hart heeft hier te weinig tegenovergesteld. Omdat geen negatieve effecten op de waarden van het NNB te verwachten zijn, volgt de Afdeling Het Groene Hart ook niet in haar stelling dat de benodigde compensatie voor de negatieve effecten op het NNB ontbreekt.

Het voorgaande betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.16 van de IOV is vastgesteld. Het betoog slaagt in zoverre niet.

Verstedelijking afweegbaar

11. Het Groene Hart betoogt dat de planontwikkeling ook is vastgesteld in strijd met provinciale regels over het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’. Aan de voorwaarden die gelden om binnen dat gebied te voorzien in een nieuwe ontwikkeling wordt volgens Het Groene Hart niet voldaan.

11.1. Op de zitting heeft Het Groene Hart toegelicht dat zij met dit betoog specifiek een beroep doet op artikel 3.43, aanhef en onder d, van de IOV. Volgens haar is namelijk geen rekening gehouden met de omgevingskwaliteit en de structuren in het gebied en is geen sprake van een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. De omgevingskwaliteit en structuur waar specifiek geen rekening is gehouden, is de typerende historische lintbebouwing van Lennisheuvel. Die lintbebouwing is rond de centrale akker gesitueerd, de kransakker. Volgens Het Groene Hart is dit een van de laatst overgebleven kransakkers binnen de gemeente. Door aansluitend aan de lintbebouwing nieuwe woonbebouwing te realiseren, wat het plan dus mogelijk maakt, zal de lintbebouwing en daarmee de kransakker niet meer goed zichtbaar zijn. Daarmee is ook geen sprake van een duurzame stedelijke afronding, omdat de woonbebouwing een barrière vormt tussen de lintbebouwing en het agrarisch buitengebied, aldus Het Groene Hart.

11.2. De Afdeling stelt vast dat, blijkens de kaartbijlage van de IOV, een deel van het plangebied ligt binnen het werkingsgebied ‘Verstedelijking afweegbaar’. Het gaat dan om het gebied waar de woningen zijn voorzien.

11.3. Artikel 3.42, eerste lid, van de IOV luidt, voor zover van belang:

"Een bestemmingsplan dat voorziet in de ontwikkeling van een locatie voor wonen, werken of voorzieningen ligt binnen Stedelijk gebied […]"

Artikel 3.43 van de IOV luidt, voor zover van belang:

"In afwijking van artikel 3.42 Duurzame stedelijke ontwikkeling, eerste lid, kan een bestemmingsplan, ter plaatse van Verstedelijking afweegbaar voorzien in de nieuwvestiging van een duurzame stedelijke ontwikkeling als:

[…]

d. de stedenbouwkundige- en landschappelijke inrichting rekening houdt met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en de naaste omgeving waaronder een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied."

11.4. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan voldoende rekening is gehouden met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied en dat sprake is van een duurzame afronding van het Stedelijk gebied. Daarvoor verwijst de raad naar wat in paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat. Daarin staat dat de voorziene woningbouw de ruimtelijke afronding van deze bebouwingsrand van de kern betreft, waarbij aangesloten wordt op de herinrichting van de Heerenbeekloop. Er wordt daarbij een geleidelijke overgang van bebouwd gebied naar natuur voorzien door middel van de inrichting van het beekgebied. De gerealiseerde EVZ van de Heerenbeekloop en het daarbij behorende oevergebied krijgen een passende natuurbestemming. Er is hiermee volgens de raad sprake van een samenhangend geheel tussen woningontwikkeling en bescherming van natuurwaarden rondom de Heerenbeekloop.

Op de zitting heeft de raad aanvullend toegelicht dat de lintbebouwing en kransakker waar Het Groene Hart op wijst voldoende herkenbaar blijven. De lintbebouwing en het verhoogde gedeelte waaromheen die bebouwing is gelegen, zijnde de kransakker, worden met het plan niet aangetast of veranderd. Er wordt alleen bebouwing toegevoegd achter een deel van de bestaande lintbebouwing, maar niet in die mate dat daarmee de lintbebouwing en de kransakker niet meer zichtbaar zijn. Als al sprake is van enige aantasting, dan meent de raad dat die aantasting aanvaardbaar is in het licht van het grotere belang dat met de verwezenlijking van de nieuwe woningen is gediend.

11.5. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het voorgaande, toereikend gemotiveerd dat in het plan rekening is gehouden met de omgevingskwaliteit en structuren in het gebied, en met een duurzame afronding van het Stedelijk Gebied. In wat Het Groene Hart heeft aangevoerd ziet zij daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3.43 van de IOV is vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Milieueffectbeoordeling

12. Het Groene Hart betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat de noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapport ontbreekt. De raad ontkent daarmee dat het plan wel degelijk forse milieuschade met zich brengt. Het Groene Hart wijst er daarbij op dat het plangebied ligt naast het NNB, het gebied een groen onbebouwd areaal betreft, het plan daarmee ten koste gaat van de bestaande ruimtelijke kwaliteit, het plangebied ligt in het Nationale Landschapspark Het Groene Woud en dat niet de potentiële natuurontwikkelingswaarde is onderkend. Daar komt bij dat bij de beoordeling van de milieueffecten geen rekening is gehouden met andere toekomstige woningbouw binnen de gemeente. Het is evident dat al deze deelplannen samen aanzienlijke milieueffecten hebben.

12.1. Paragraaf 4.2 van de plantoelichting vermeldt over de verplichting om een vormvrije m.e.r.-beoordeling te maken dat het bestemmingsplan valt onder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit mer). Daarom is uit hoofde van artikel 2, vijfde lid, onder b, van het Besluit mer een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met de criteria als opgenomen in bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd op 16 april 2014 (Pb EU 2012, L26 en PbEU 2014, L124) (de mer-richtlijn) om te bezien of het plan belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Geconcludeerd is dat dit niet het geval is, onder meer onder verwijzing naar wat in de plantoelichting is geschreven over de effecten van het plan op verschillende milieuaspecten. In zoverre bestaat volgens de raad geen verplichting tot het doorlopen van een milieueffectrapportageprocedure.

12.2. Het Groene Hart heeft niet concreet gemaakt met welke andere ontwikkelingen de bij het plan voorziene woningen in samenhang zouden moeten worden bezien, en evenmin heeft zij concreet gemaakt welke specifieke criteria als opgenomen in bijlage III van de mer-richtlijn die de raad heeft beschouwd, onjuist zijn beoordeeld. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen reden om de raad niet te volgen in zijn standpunt dat het opstellen van een milieueffectrapport niet nodig is.

Het betoog slaagt niet.

Aantasting cultuurhistorische waarden

13. Het Groene Hart betoogt dat het plan leidt tot een aantasting van de cultuurhistorische waarden in het gebied. In de directe omgeving van het plangebied is namelijk de rijksmonumentale boerderij "Den Eijngel" aanwezig. Het Groene Hart wijst er met name op dat het erf rondom Den Eijngel wordt aangetast, nu daar een toegangsweg richting het plangebied is voorzien. De raad heeft bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van het monument door geen cultuurhistorisch onderzoek te verrichten, en daarmee ook niet onderkend dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting daarvan.

13.1. De Afdeling stelt vast dat Het Groene Hart ook op dit punt een nagenoeg gelijkluidend betoog naar voren heeft gebracht tegen het voorgaande bestemmingsplan. In de uitspraak van 9 juli 2021 heeft de Afdeling onder 8-8.2 dat betoog uitgebreid besproken en is tot het oordeel gekomen dat de raad bij de vaststelling van het plan voldoende rekening heeft gehouden met de cultuurhistorische waarde van het rijksmonument "Den Eijngel". De Afdeling ziet geen reden om tot een ander oordeel te komen. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat de raad op de zitting heeft benadrukt dat het erf rondom de boerderij geen bijzondere monumentale status heeft. Daar komt bij dat weliswaar een gedeelte van het huidige erf van de boerderij onderdeel is van het plangebied, maar dat dit slechts een beperkt gedeelte betreft. Daarom volgt de Afdeling de raad in zijn standpunt dat het plan niet leidt tot een aantasting van de rijksmonumentale boerderij.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie bestemmingsplan

14. Gelet op wat hiervoor onder 10.7 is overwogen, is het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 4 juli 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan, gegrond.

15. Het besluit van 4 juli 2023 moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover aan de gronden met de bestemming "Natuur" niet ook de aanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen" is toegekend.

16. Omdat niet aannemelijk is dat derden hierdoor in hun belangen worden geschaad, waarbij ook van belang is dat Het Groene Hart op de zitting heeft verklaard in te kunnen stemmen met het door de raad verzochte zelf voorzien, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat aan de gronden met de bestemming "Natuur" ook de aanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen" wordt toegekend.

17. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 4 juli 2023, voor zover dat wordt vernietigd.

18. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

De omgevingsvergunning

19. Volgens Het Groene Hart heeft het college niet over mogen gaan tot verlening van de aangevraagde vergunning voor de bouw van de woningen, omdat uit wat zij hiervoor heeft aangevoerd blijkt dat het bestemmingsplan ernstige tekortkomingen bevat.

19.1. De Afdeling heeft hiervoor alle beroepsgronden van Het Groene Hart die zij heeft aangevoerd tegen het bestemmingsplan besproken. Nagenoeg alle gronden slagen niet, behalve de grond over de aanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen". Op dat punt ziet de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De Afdeling ziet daarom geen reden voor het oordeel dat het college niet over heeft mogen gaan tot verlening van de omgevingsvergunning.

19.2. De conclusie is daarom dat het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 5 september 2023, ongegrond is.

Proceskosten

20. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Boxtel van 4 juli 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Achter den Eijngel 2022" gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel van 5 september 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van 65 woningen ongegrond;

III. vernietigt het onder I genoemde besluit, voor zover aan de gronden met de bestemming "Natuur" niet ook de aanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen" is toegekend;

IV. bepaalt dat op de verbeelding aan de gronden met de bestemming "Natuur" ook de aanduiding "milieuzone - ecologische verbindingen" wordt toegekend;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit van 4 juli 2023;

VI. draagt de raad van de gemeente Boxtel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Boxtel aan Vereniging Het Groene Hart Brabant het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 365,00.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.I. Heijkoop, griffier.

w.g. Ten Veen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Heijkoop

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025

971

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C.I. Heijkoop

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?