202305419/2/R1.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de raad van de gemeente Veere,
verweerder.
Procesverloop
Bij tussenuitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:200, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omgeschreven gebreken in het besluit van 5 juli 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Duinpark Boulevard ong. Zoutelande" te herstellen.
Bij beschikking van 7 april 2025 is de in de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 23 juli 2025.
Bij besluit van 2 juli 2025 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Duinpark Boulevard ong. Zoutelande" gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelbesluit).
[appellant] en de besloten vennootschap Duinpark Verhuur en Exploitatie Maatschappij B.V. hebben zienswijzen naar voren gebracht.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak opnieuw op een zitting behandeld op 14 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door R.M. Königel, advocaat te Etten-Leur, en de raad, vertegenwoordig door mr. P.I. Izeboud en J.G. Wondergem, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Duinpark Verhuur en Exploitatie Maatschappij B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.
Overwegingen
De tussenuitspraak
1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 5.6 geoordeeld dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.10, vijfde lid, van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 (hierna: de Omgevingsverordening). Daaraan heeft de Afdeling ten grondslag gelegd dat het maximaal toegestane bebouwingspercentage van 13%, als bedoeld in uitgangspunt A, onder 1 van bijlage D, van de Omgevingsverordening, reeds in de bestaande situatie wordt overschreden én dat de voorziene recreatiewoning niet wordt ontwikkeld op basis van een businessplan als bedoeld in uitgangspunt B, onder 1 van bijlage D van de Omgevingsverordening, terwijl niet door de raad is onderbouwd dat sprake is van een maatwerkoplossing als bedoeld in de Omgevingsverordening.
Onder 5.7 heeft de Afdeling voorts geoordeeld dat het plan eveneens is vastgesteld in strijd met artikel 2.13, eerste lid, van de Omgevingsverordening, omdat in de planregels niet is verzekerd dat de voorziene recreatiewoning wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie, terwijl in de plantoelichting niet aannemelijk is gemaakt dat is voldaan aan de in bijlage E bedoelde voorwaarden van de Omgevingsverordening.
Verder, en tot slot, heeft de Afdeling onder 6.2 geoordeeld dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), omdat het plan niet voldoet aan de voorwaarden voor uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein in de provinciale Zeeuwse Kustvisie.
2. Onder 7 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling aan de raad de opdracht gegeven om het vastgestelde gebrek te herstellen door:
1. te motiveren dat het plan als maatwerk kan worden bestempeld dat in overeenstemming is met artikel 2.10, vijfde lid, van de Omgevingsverordening dan wel af te zien van het toestaan van de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein;
2. als het plan maatwerk is en voorziet in de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein, in de planregels vast te leggen dat de recreatiewoning wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie dan wel in de plantoelichting aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de in bijlage E bedoelde voorwaarden;
3. als het plan voorziet in de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein als bedoeld onder 1, de afwijking van de Zeeuwse Kustvisie in de plantoelichting te motiveren.
3. De voor deze uitspraak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage.
Het herstelbesluit
4. De raad heeft het plan bij besluit van 2 juli 2025 opnieuw integraal, maar gewijzigd, vastgesteld. Voor het herstel van het onder 5.6 van de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft de raad de plantoelichting aangevuld met de onderbouwing dat het plan als maatwerk kan worden bestempeld als bedoeld in de Omgevingsverordening.
5. Voor het herstel van het onder 5.7 van de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft de raad in de plantoelichting gemotiveerd dat de voorziene recreatiewoning wordt verhuurd in de vorm van centrale bedrijfsmatige exploitatie én de planregels aangevuld met een regel dat de voorziene recreatiewoning wordt verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie.
6. Voor het herstel van het onder 6.2 van de tussenuitspraak vastgestelde gebrek heeft de raad de plantoelichting aangepast met een motivering voor het afwijken van de Zeeuwse Kustvisie.
7. Het herstelbesluit is op grond van artikel 6:19 van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant] is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.
Het beroep tegen het herstelbesluit
8. [appellant] betoogt in zijn zienswijze dat uit bijlage D onder 1 onder A van de Omgevingsverordening weliswaar blijkt dat maatwerk mogelijk is als een specifieke situatie daarom vraagt, maar dat daarbij als principe geldt dat de voorwaarden communicerende vaten zijn en dat daaraan met het plan niet wordt voldaan. Hiertoe voert hij aan dat door de raad niet is onderbouwd dat het met het plan mogelijk gemaakte hogere percentage uitbreidingsoppervlakte gepaard gaat met een hoger percentage landschapsontwikkeling. Ook stelt hij dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op alle voorwaarden van bijlage D onder 1 onder A, maar slechts in algemene zin is ingegaan op de kwaliteitsverbetering door de voorziene ontwikkeling. [appellant] betwist bovendien dat aan de voorwaarden wordt voldaan.
8.1. De plantoelichting vermeldt dat de voorwaarden in bijlage D, onder 1, onder A communicerende vaten zijn en dat dit onder andere betekent dat uitdunning van een bestaand terrein met eenheden niet persé noodzakelijk is en dat uitbreiding van het recreatieterrein met één extra eenheid is toe te staan als een specifieke situatie aan de orde is. Voor de voorziene ontwikkeling is een maatwerkoplossing getroffen, zo vermeldt de plantoelichting, aangezien sprake is van zo een specifieke situatie. Verder is vermeld dat met het bestemmingsplan wordt voorzien in een stedenbouwkundige afronding van recreatieterrein Kustlicht II en dat met de aanleg destijds van het park al rekening is gehouden met een dichtheid en omvang van meer dan 224 recreatiewoningen. De beoogde ontwikkeling is namelijk voorzien in een bestaand verblijfsrecreatief gebied waar op grond van het bestemmingsplan verblijfsrecreatieve activiteiten zijn toegelaten. Opnieuw wordt in de plantoelichting benadrukt dat het gaat om een zeer beperkte uitbreiding van eenheden, waarbij geen aantasting van groene, beschermd of open agrarisch gebied plaatsvindt. De beoogde ontwikkeling vindt namelijk plaats binnen de bestaande contouren. In het plangebied komt de bebouwing bovendien in het groen te liggen. De huidige groensingel blijft behouden en aan de voorzijde (Duinpark Boulevard) en aan de zijde Houtenburgseweg verkrijgt het perceel juist een extra groene beplanting dat op de verbeelding van het nieuwe bestemmingsplan is aangegeven met de enkelbestemming "Groen". Deze extra groene beplanting is volgens de plantoelichting met opname van een voorwaardelijke verplichting in de planregels gewaarborgd. Het perceel sluit daarmee aan bij het karakter van de omgeving. In de huidige situatie is hier sprake van een terrein dat geen noemenswaardige uitstraling heeft. Door een recreatiewoning, met tuin e.d. omringd, toe te staan vindt er een kwaliteitsverbetering plaats. De nieuwe recreatiewoning wordt duurzaam gebouwd zonder aansluiting op het gasnetwerk en de daken worden voorzien van zonnepanelen en omringd door een groene landschappelijke inpassing. Het perceel wordt goed onderhouden en met het landschappelijk inpassingsplan sluit het perceel aan bij het karakter van de omgeving. Het ontwerp van de te realiseren recreatiewoning zal in goed overleg met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) tot stand komen. De CRK kijkt of het plan architectonisch wenselijk is op basis van de Nota ruimtelijke kwaliteit 2016. Uitgangspunt is dat er een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit optreedt. Men moet volgens de plantoelichting qua bouwmassa aansluiten/harmoniëren met de woningen in het omringende park. Bij voorkeur is het ontwerp geen kopie van de bestaande recreatiewoningen, maar een eigentijdse variant die verwantschap vertoont met het standaardtype dat hier veelvuldig is gebouwd, aldus de plantoelichting.
8.2. Vaststaat dat het plangebied in het vorige bestemmingsplan "Zomerhuizenterrein, gemeente Veere" al een recreatieve bestemming had. Dit betekent dat het plan niet voorziet in de uitbreiding van oppervlakte van een bestaand verblijfsrecreatieterrein als bedoeld in bijlage D waarnaar in artikel 2.10, vijfde lid, van de Omgevingsverordening wordt verwezen, maar slechts in de uitbreiding van het aantal eenheden als bedoeld in die bijlage D. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn interpretatie van de Omgevingsverordening dat onder ‘uitbreiding van oppervlakte’ de uitbreiding van ‘bebouwd oppervlakte’ moet worden verstaan, nu dat het onderscheid tussen die twee categorieën "uitbreiding van de oppervlakte" en "uitbreiding van eenheden" in bijlage D in dit geval zinledig zou maken. Voorts staat vast dat niet aan het uitgangspunt van maximaal 13% bebouwing op het totale terrein kan worden voldaan, nu reeds in de bestaande situatie dit percentage wordt overschreden. De raad heeft vanwege deze overschrijding in het herstelbesluit uitgebreid gemotiveerd dat sprake is van een maatwerkoplossing als bedoeld in bijlage D, onder A, van de Omgevingsverordening. De Afdeling ziet niet in dat deze motivering onvoldoende is. Daarbij betrekt de Afdeling dat de Omgevingsverordening weliswaar als principe vermeldt dat de uitgangspunten communicerende vaten zijn, maar dat dit - anders dan [appellant] betoogt - in een situatie als hier aan de orde, waarin één eenheid wordt toegevoegd, niet betekent dat een integrale kwaliteitsimpuls nodig is voor het gehele bestaande verblijfsrecreatieterrein van 224 eenheden. De raad behoefde ook slechts te onderbouwen waarom de aan het plan toe te rekenen overschrijding van het bebouwingspercentage toelaatbaar is gelet op de andere twee uitgangspunten. Dit heeft de raad gedaan. De raad heeft hierbij mogen betrekken dat het slechts gaat om een toename van het bebouwingspercentage met 0,28% op een al bestaand bebouwingspercentage van 63,06%. Ook heeft de raad hierbij mogen betrekken dat het uitgangspunt van maximaal 15% uitbreiding van eenheden ruim wordt onderschreden, nu dit aantal slechts met 0,45% toeneemt, als ook dat landschappelijke inpassing van de toe te voegen eenheid is gewaarborgd met een inplantingsplan op grond van artikel 6.3.1 van de planregels. Bij die landschappelijke inpassing heeft de raad bovendien kunnen betrekken dat het plangebied thans braak ligt en vanwege de ligging een logische afronding is van het bestaande verblijfsrecreatieterrein. Het betoog slaagt niet.
9. [appellant] betoogt verder dat het plan in strijd is met de voorwaarden in bijlage D, onder 1, onder B over economische haalbaarheid. Daarbij stelt hij dat het businessplan niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Ook stelt hij dat een centrale bedrijfsmatige exploitatie niet is verzekerd, omdat in de definitie hiervan niet is opgenomen dat de recreatiewoning dient te worden verhuurd. Verder stelt hij dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van bijlage E voor het afwijken van de verplichting tot verhuur.
9.1. De plantoelichting verwijst in het kader van de financiële haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling naar een door de initiatiefnemer aangeleverd businessplan. De eis van centrale bedrijfsmatige exploitatie als bedoeld in de Omgevingsverordening is volgens de plantoelichting geborgd via de artikelen 1.31 en 3.1, sub a, van de planregels, waarin respectievelijk een definitie is toegevoegd van 'centrale bedrijfsmatige exploitatie’ en is opgenomen dat slechts het gebruik "verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen met een centraal bedrijfsmatige exploitatie" is toegestaan.
9.2. Anders dan [appellant] betoogt, kunnen uit de Omgevingsverordening geen inhoudelijke vereisten worden afgeleid die te stellen zijn aan het businessplan dat de raad mede aan het plan ten grondslag heeft gelegd. De Afdeling ziet daarom, en mede gelet op het feit dat het hier gaat om de toevoeging van één eenheid aan een totaal van 224 eenheden, geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met bijlage D, onder 1, onder B, punt 2. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding te oordelen dat het plan is vastgesteld in strijd met bijlage D, onder 1, onder B, punt 3 vanwege het ontbreken van de eis van verhuur in artikel 1 van de planregels waarin de definitie van centrale bedrijfsmatige exploitatie is opgenomen. Daarvoor is van belang dat met deze definitie in samenhang bezien met artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels overeenkomstig artikel 2.13 is gewaarborgd dat permanente bewoning wordt voorkomen, omdat de eenheid op een centrale bedrijfsmatige wijze moet worden geëxploiteerd. Dat de eenheid wordt verhuurd is met de definitie bovendien geïmpliceerd, zodat ook daarom geen aanleiding bestaat [appellant] te volgen in diens betoog dat de eis van verhuur op grond van de Omgevingsverordening moet worden toegevoegd aan artikel 1.31 van de planregels. Het betoog slaagt niet. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan hetgeen [appellant] heeft gesteld over de mogelijkheid om af te wijken van de verplichting van verhuur in bijlage E van de Omgevingsverordening.
10. [appellant] betoogt dat niet of onvoldoende is gemotiveerd dat en waarom sprake zou zijn van een innovatief en hoogwaardig concept, hetgeen in strijd is met bijlage D, onder 1, onder C van de Omgevingsverordening. Ook is het plan in strijd met bijlage D, onder 1, onder D, van de Omgevingsverordening, omdat met het plan geen sociaal maatschappelijke bijdrage wordt geleverd.
10.1. De plantoelichting vermeldt dat het plan aansluit bij het lokale DNA. Volgens de plantoelichting voorziet de initiatiefnemer als recreatiebedrijf al jarenlang in een behoefte door het verhuren van vakantiewoningen en staat zij voor het bedienen van toerisme door luxe vakantiewoningen met een hoge klanttevredenheid. De wens is om het aanbod van luxe vakantiewoningen met één recreatiewoning uit te breiden. Gezien de jarenlange bedrijfsvoering is er een perfecte marketingmix (hoge klanttevredenheid, veel ruimte en mogelijkheden voor gasten, luxe en eigentijdse uitstraling van recreatieverblijven, veel groen, ruimte en vrijheid, kort aan de kust) die met de komst van deze nieuwe recreatiewoning het nu al toekomstbestendige bedrijf verder bestendigt. Ook qua gebruik is de nieuwe recreatiewoning onderscheidend, omdat deze woning, vanwege het volledige woonprogramma op de begane grond, ook aan een oudere doelgroep aangeboden kan worden. Onderscheidend zal ook het ontwerp van de recreatiewoning zijn, dat in goed overleg met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit tot stand zal komen, aldus de plantoelichting.
10.2. De plantoelichting vermeldt voorts dat de ontwikkeling ook zorgt voor een sociaal maatschappelijke bijdrage. Door de komst van één recreatiewoning op een recreatieterrein wordt de leefbaarheid van het dorp niet aangetast. Integendeel zelfs. Een dergelijke ontwikkeling draagt juist bij aan het behoud van diverse in het dorp aanwezige voorzieningen zoals restaurants en diverse winkels. Ook wordt er een bijdrage geleverd aan de werkgelegenheid doordat er meer bezoekers kunnen overnachten in Veere. In het geval van één recreatiewoning is dat weliswaar minimaal (extra bestedingen die zorgen voor een impuls in de lokale economie), maar kijkend naar het gehele park is er zeker sprake van een bijdrage in de werkgelegenheid en moet het volgens de plantoelichting ook in dat kader gezien worden. Ten opzichte van de bestaande situatie zal de gewenste ontwikkeling volgens de plantoelichting een bijdrage leveren aan de werkgelegenheid, behoud van voorzieningen en een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving. De bouw van de recreatiewoning wordt door een lokale aannemer op Walcheren uitgevoerd. Het onderhoud van de recreatiewoning wordt uitgevoerd door een lokale aannemer. Het schoonmaken en schoonhouden van de recreatiewoning wordt door een lokale partij gedaan. Dit gebeurt tussen het wisselen van de gasten. Dat is minimaal iedere week maar kan ook meerdere keren per week worden uitgevoerd naar het gelang het aantal dagen dat de recreatiewoning wordt verhuurd. Het onderhouden van de tuin wordt door een hovenier uit de buurt verzorgd, aldus de plantoelichting.
10.3. Uit de hiervoor weergegeven passages in de plantoelichting volgt waarom volgens de raad wordt voldaan aan bijlage D, onder 1, onder C en D, van de Omgevingsverordening. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten waarom de raad zich niet op dit standpunt mocht stellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat, zoals hiervoor ook overwogen, het gaat om de toevoeging van één eenheid/recreatiewoning aan een bestaand (succesvol) verblijfsrecreatieterrein bestaande uit 224 eenheden/recreatiewoningen. Dat de raad de in het plan voorziene ontwikkeling als onderdeel van dit grotere geheel heeft getoetst aan de voorwaarden als bedoeld in onderdeel D, onder 1, onder C en D, acht de Afdeling juist. Het betoog slaagt niet.
11. [appellant] stelt tot slot dat nu het plan niet in overeenstemming is met de Omgevingsverordening, het tevens in strijd is met de Zeeuwse Kustvisie.
11.1. De Afdeling heeft hiervoor overwogen dat zij in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet te oordelen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Omgevingsverordening. Nu de Zeeuwse Kustvisie materieel overeenkomt met de Omgevingsverordening, betekent dit oordeel dat evenmin aanleiding bestaat te oordelen dat het plan is vastgesteld in strijd met de Zeeuwse Kustvisie. Het betoog slaagt niet.
12. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad met het besluit van 2 juli 2025 de onder 5.6, 5.7 en 6.2 van de tussenuitspraak vastgestelde gebreken over de voorziene recreatiewoning heeft hersteld. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. Gelet op wat is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellant] tegen het besluit van 5 juli 2023 gegrond. Dat besluit moet wegens strijd met de artikelen 2.10, vijfde lid, en 2.13, eerste lid, van de Omgevingsverordening en 3:2 van de Awb worden vernietigd.
14. Gelet op wat onder 8.2, 9.2, 10.3 en 11.1 van deze uitspraak is overwogen, is het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] tegen het besluit van 2 juli 2025 ongegrond.
15. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Veere van 5 juli 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Duinpark Boulevard ong. Zoutelande" gegrond;
II. vernietigt het onder I genoemde besluit;
III. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Veere van 2 juli 2025 tot het opnieuw gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "Duinpark Boulevard ong. Zoutelande" ongegrond;
IV. veroordeelt de raad van de gemeente Veere tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.174,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. gelast dat de raad van de gemeente Veere aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 184,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.A. van Heusden, griffier.
w.g. De Groot
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Heusden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
647
Bijlage
Omgevingsverordening Zeeland 2018
Op grond van artikel 2.10, vijfde lid, onder a, van de Omgevingsverordening Zeeland 2018 geldt dat in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk dient te wordt gemaakt dat wordt voldaan aan de in bijlage D onder 1 opgenomen uitgangspunten. In bijlage D, onder 1, onder A vermeldt: een beperkte uitbreiding van oppervlakte is mogelijk indien het nieuw uit te breiden terrein: integraal onderdeel uitmaakt van een (nieuw) landschap; en de dichtheid en omvang van de bebouwing passend is in het betreffende landschap; en het beheer en onderhoud van het landschap geborgd is; en er sprake is van een maximale invulling ten behoeve van verblijfsrecreatie op het totale uitbreidingsoppervlakte van 13% (exclusief centrale voorzieningen); en maximaal 20% van het totale terrein mag aan de openbaarheid worden onttrokken (deze maximale maat is vanwege het aspect veiligheid niet van toe passing bij kampeerterreinen); en de openbaar toegankelijke paden en routestructuren integraal onderdeel uitmaken van het landschap.
Verder is vermeld: een beperkte uitbreiding van eenheden is mogelijk indien: er sprake is van een integrale kwaliteitsimpuls van het bestaande en toekomstige accommodatie; en er sprake is van een maximale invulling ten behoeve van verblijfsrecreatie op het totale terrein van 13% (exclusief centrale voorzieningen); en er maximaal sprake is van 15% uitbreiding van eenheden.
Ook is vermeld: ruimte voor maatwerkoplossingen is mogelijk als een specifieke situatie daarom vraagt. Hierbij geldt als principe dat bovengenoemde uitgangspunten communicerende vaten zijn. Een hoger percentage landschapsontwikkeling kan bijvoorbeeld gepaard gaan met een hoger percentage uitbreidingsoppervlakte.
Bijlage D, onder 1, onder c luidt: ontwikkelingen zetten qua verschijningsvorm en type accommodatie in op een innovatief en hoogwaardig concept. Hierdoor wordt bijgedragen aan een gedifferentieerd product in de Zeeuwse kust. Het lokale DNA en het principe van LAND IN ZEE! staan hier centraal. Met oog op de dynamiek en verdere vernieuwing in de sector, wordt ingezet op circulair bouwen.
Bijlage D, onder 1, onder d luidt: ontwikkelingen leveren een bijdrage aan de werkgelegenheid, behoud van voorzieningen en zijn een toegevoegde waarde voor de (leef)omgeving.
Artikel 2.13, eerste lid, van de Omgevingsverordening luidt: in een bestemmingsplan waarin bestemmingen worden aangewezen dan wel regels worden gegeven voor een nieuw verblijfsrecreatieterrein of de uitbreiding van een verblijfsrecreatieterrein worden regels gesteld ter voorkoming van permanente bewoning. Tevens worden regels gesteld waarmee wordt verzekerd dat standplaatsen of bouwwerken die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf worden verhuurd in de vorm van een centrale bedrijfsmatige exploitatie. Bedoelde regels worden tevens opgenomen in volgende herzieningen van het bestemmingsplan voor het verblijfsrecreatieterrein.
Bijlage D, onder 1, onder B luidt: ontwikkelingen zijn aantoonbaar economisch uitvoerbaar, vinden plaats op basis van een businessplan en voorzien in een centrale bedrijfsmatige exploitatie zoals bedoeld in artikel 2.13.
Planregels
Ingevolge artikel 1 van de planregels wordt onder centrale bedrijfsmatige exploitatie verstaan: het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanige exploitatie dat daarbij gedurende het jaar, in verschillende perioden, aan verschillende personen die hun hoofdverblijf elders hebben, recreatieve verblijfsmogelijkheden worden geboden.
Artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: de voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen met een centraal bedrijfsmatige exploitatie.
Ingevolge artikel 6.3.1, aanhef en onder a, van de planregels is ter plaatse van de enkelbestemming "recreatie-verblijfsrecreatie" de realisatie en ingebruikneming van recreatiewoningen uitsluitend toegestaan indien en voor zover ter plaatse van de enkelbestemming ‘Groen’ opgaande beplanting is gerealiseerd en in stand gehouden wordt met een breedte van ten minste 3m en 5m conform bijlage 1 behorend bij de regels van dit bestemmingsplan.