ECLI:NL:RVS:2025:6179

ECLI:NL:RVS:2025:6179, Raad van State, 17-12-2025, 202402195/1/A2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 17-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer 202402195/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 1 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [wederpartij] is sinds 17 oktober 1985 eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Lierop en exploitant van een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee op dit perceel. De agrarische activiteiten op het pluimveebedrijf bestonden tot voor kort uit het grootbrengen van kuikens tot kippen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om in deze specifieke situatie een toerekening naar redelijkheid toe te passen, waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade wordt toegerekend, afhangt van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. Het college is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Het college voert aan dat het alleszins aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de komst van het vogelasiel en de opzegging van contracten vanwege de vrees voor verspreiding van dierziektes, maar dat het daarbij slechts om een indirect of afgeleid gevolg gaat en niet om een rechtstreeks en ruimtelijk relevant gevolg van de planologische wijziging

Uitspraak

202402195/1/A2.

Datum uitspraak: 17 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Someren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 4 maart 2024 in zaak nr. 21/2635 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2021 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 22 september 2021 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 maart 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 september 2021 vernietigd en het college opgedragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verder heeft de rechtbank de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling aan [wederpartij] van een schadevergoeding van € 1.000,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 7 juli 2025 heeft het college [wederpartij] een tegemoetkoming in planschade van € 81.720,00 toegekend.

[wederpartij] heeft gronden van beroep tegen dit besluit aangevoerd.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.A.M. Kuijken, en [wederpartij], bijgestaan door mr. Q. Kuipers, advocaat in Helmond, zijn verschenen. Aan de zijde van het college zijn mr. A.A.M. Bruggeman, adviseur bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken, en ing. P.J.T.E. van Helvoort RT, beëdigd rentmeester NVR, als deskundigen verschenen.

Overwegingen

1. [wederpartij] is sinds 17 oktober 1985 eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Lierop (hierna: het perceel) en exploitant van een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee (hierna: het pluimveebedrijf) op dit perceel. De agrarische activiteiten op het pluimveebedrijf bestonden tot voor kort uit het grootbrengen van kuikens tot kippen.

2. Bij besluit van 20 december 2017 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan Vogelasiel Someren (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) vastgesteld. Dit plan, dat op 24 februari 2018 in werking is getreden, voorziet aan de noordwestelijke zijde van Someren, tussen de Busserdijk en de Philipsbosweg, in voorzieningen voor dagrecreatie, waaronder een vogelasiel op een afstand van ongeveer 1,1 km van het pluimveebedrijf. Bij uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:886) heeft de Afdeling onder meer het door [wederpartij] tegen het besluit van 20 december 2017 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Aanvraag om tegemoetkoming in planschade

3. Bij aanvraagformulier van 26 september 2019 heeft [wederpartij] het college verzocht om een tegemoetkoming in planschade. De gestelde schade houdt verband met de kennisgeving van opfokorganisaties aan [wederpartij] dat zij vanwege de nabijheid van het vogelasiel en de daarbij behorende risico's op verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) zullen plaatsen op het pluimveebedrijf.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

4. Op 1 januari 2024 is de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. In artikel 4.19 van de Invoeringswet Omgevingswet heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, b, e of f, van de Wro. In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald.

De door [wederpartij] in de aanvraag aangewezen oorzaak van de gestelde schade is een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro. Dat betekent dat in dit geval de Wro, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Besluitvorming

5. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade is ten grondslag gelegd dat het opzeggen van overeenkomsten of het door afnemers kenbaar maken dat zij geen gebruik meer maken van de diensten van het pluimveebedrijf, het gevolg is van beslissingen van privaatrechtelijke aard en niet een rechtstreeks en ruimtelijk gevolg van de wijziging van de bestemming voor het vogelasiel is. De eventuele schade die uit deze privaatrechtelijke beslissingen voortvloeit, wat daar verder ook van zij, komt volgens het college niet voor tegemoetkoming op de voet van artikel 6.1 van de Wro in aanmerking.

Uitspraak van de rechtbank

6. Naar aanleiding van het door [wederpartij] tegen het besluit van 22 september 2021 ingestelde beroep heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen.

Strikt genomen lijdt [wederpartij] geen schade door het nieuwe bestemmingsplan, maar door de keuze van de opfokorganisaties om de bestaande overeenkomst op te zeggen of geen nieuwe overeenkomst aan te gaan. Het nieuwe bestemmingsplan dwong de opfokorganisaties niet tot het maken van die keuze. Wel maakt het nieuwe bestemmingsplan de komst van een vogelasiel mogelijk. Uit de verklaringen van de op de zitting gehoorde getuigen blijkt in een voldoende redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aanwezigheid van een vogelasiel invloed heeft op opfokorganisaties bij de selectie van pluimveebedrijven. De schade zou dus niet zijn ontstaan zonder de nieuwe planologische maatregel.

In deze specifieke situatie is het, gelet op de omstandigheden van het geval, niet redelijk dat de door [wederpartij] geleden schade volledig aan de gemeente wordt toegerekend. Daarvoor is de selectie van opfokbedrijven te veel een ondernemersbeslissing en zijn de criteria voor deze selectie niet geheel objectief en wetenschappelijk onderbouwd. Tegelijkertijd is het evenmin redelijk dat [wederpartij] met lege handen achterblijft en geen enkele aanspraak kan maken op een tegemoetkoming. Duidelijk is dat de aanwezigheid van het vogelasiel een rol speelt en dat de invloed van dat asiel bepalend kan zijn in een kleine kapitaalintensieve markt.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om in deze specifieke situatie een toerekening naar redelijkheid toe te passen, waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade wordt toegerekend, afhangt van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat door de positieve bestemming van het vogelasiel op zijn minst een risico voor [wederpartij] is geschapen en dat dit risico zich vervolgens heeft verwezenlijkt.

Hoger beroep

7. Het college is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Het college voert aan dat het alleszins aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de komst van het vogelasiel en de opzegging van contracten vanwege de vrees voor verspreiding van dierziektes, maar dat het daarbij slechts om een indirect of afgeleid gevolg gaat en niet om een rechtstreeks en ruimtelijk relevant gevolg van de planologische wijziging, zodat de door de rechtbank gemaakte toedeling naar redelijkheid niet opportuun is. Daarnaast is in deze specifieke situatie sprake van subjectieve elementen bij de opzegging van contracten, namelijk de vrees voor besmetting vanwege de aanwezigheid van een vogelasiel op korte afstand van het pluimveebedrijf. De kans op het verspreiden van dierziektes is echter geen planschade veroorzakend element. Op basis van de beschikbare wetenschappelijke inzichten is er geen reden om een oorzakelijk verband aan te nemen tussen de aanwezigheid van een vogelasiel in de nabijheid van het pluimveebedrijf en het risico op verspreiding van dierziektes. Hiervoor ontbreekt een concreet en algemeen aanvaard wetenschappelijk bewijs. Verder is er geen van (rijks)overheidswege voorgeschreven beleid of dringend advies, gebaseerd op het voorzorgsbeginsel, om in een situatie als deze een bepaalde minimumafstand aan te houden tussen een vogelasiel en een nabijgelegen pluimveebedrijf. Uit een onderzoek van de Universiteit van Wageningen van augustus 2021 (Omgevingstransmissie van aviaire influenza virus door de lucht via wilde vogels naar commercieel gehouden pluimvee) volgt dat het risico op het overdragen van het vogelgriepvirus van besmette wilde vogels via de lucht in de omgeving van een pluimveestal verwaarloosbaar klein is.

Oordeel van de Afdeling

7.1. De Afdeling zal hierna eerst het relevante toetsingskader vermelden en daarna ingaan op de betekenis van dat toetsingskader voor dit geval. De Afdeling zal afsluiten met een conclusie.

Toetsingskader

7.2. Uit overweging 4 van de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, over het planschaderecht volgt dat bij de beoordeling van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade onderscheid wordt gemaakt tussen de vraag of de aanvrager als gevolg van de gestelde schadeoorzaak in vergelijking met het voorafgaande planologische regime in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren (overzichtsuitspraak onder 10 tot en met 38) en de vraag of de aanvrager ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden (overzichtsuitspraak onder 39 tot en met 60). In het kader van de beantwoording van de eerste vraag heeft de Afdeling onder 35 en 36 onder meer het volgende overwogen.

Bij de beoordeling of sprake is van een nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant.

Alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime zijn van belang. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.

Betekenis voor dit geval

7.3. In het besluit van 22 september 2021, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 juli 2021, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een algemeen aanvaard wetenschappelijk onderzoek, of van een zwaarwegend advies van een autoriteit als de Gezondheidsraad, dat de vrees van de opfokorganisaties voor dierziektes in het pluimveebedrijf van [wederpartij] als gevolg van de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer van dat pluimveebedrijf objectiveert. [wederpartij] heeft dit in beroep niet betwist. Wel heeft hij in de schriftelijke uiteenzetting aangevoerd dat uit het door het college bedoelde onderzoek van de Universiteit van Wageningen blijkt dat nog onbekend is hoe het virus, ondanks bijvoorbeeld een ophokplicht, in de stal bij het pluimvee terecht komt, dat de aanwezigheid van vogels in de omgeving daarbij als mogelijke oorzaak wordt gezien en dat een rechtstreeks verband tussen de aanwezigheid van het vogelasiel en het risico op verspreiding van dierziektes niet is uitgesloten.

Naar het oordeel van de Afdeling neemt deze reactie van [wederpartij] niet weg dat er op 24 februari 2018, ten tijde van de peildatum van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens of richtlijnen van overheidswege geen reden was om aan te nemen dat de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer het risico op verspreiding van dierziektes in het pluimveebedrijf doet toenemen. Hierbij betrekt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:886), waarbij zij het door [wederpartij] tegen het besluit tot vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, onder meer het volgende heeft overwogen.

Ten behoeve van dit plan heeft de raad laten onderzoeken of het mogelijk maken van een vogelasiel ter plaatse een risico inhoudt en op welke afstand zich eventueel gevolgen van een dergelijk gebruik zouden kunnen voordoen voor agrarische bedrijven in de omgeving. Uit dit onderzoek blijkt dat het voorzien in gebruik als vogelasiel ter plaatse op zichzelf geen risico inhoudt en er geen sprake is van gevolgen door de gebruiksmogelijkheden in het plan. De raad heeft gesteld dat, gelet hierop, geen sprake is van een onaanvaardbaar risico en onaanvaardbare aantasting van de belangen van [wederpartij]. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich niet op dat standpunt heeft kunnen stellen. Daartoe is van belang dat uit het Beleidsdraaiboek Aviaire Influenza van het Ministerie van Economische Zaken uit september 2013, waarnaar [wederpartij] verwijst, niet het door hem gestelde risico blijkt, omdat dit draaiboek enkel betrekking heeft op de wijze waarop de autoriteiten moeten handelen na een uitbraak van vogelgriep, aldus de Afdeling in de uitspraak van 20 maart 2019.

Voor zover [wederpartij] op de zitting nog heeft aangevoerd dat het risico op verspreiding van dierziektes met name ontstaat door de handelwijze van het vogelasiel om herstelde vogels op verschillende plaatsen in de directe omgeving van het bedrijf van [wederpartij] uit te zetten, soms op slechts 100 m afstand, overweegt de Afdeling dat, wat daarvan overigens ook zij, dit feitelijk handelen van het vogelasiel betreft en geen ten tijde van de inwerkingtreding van de planologische maatregel objectief te verwachten gevolg van het nieuwe planologische regime.

Uit het voorgaande volgt dat het college, in de gemaakte vergelijking van het regime van het nieuwe bestemmingsplan met het daaraan voorafgaande planologische regime, terecht geen rekening heeft gehouden met de vrees van de opfokorganisaties voor dierziektes in het pluimveebedrijf van [wederpartij] als gevolg van de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim ene kilometer van dat pluimveebedrijf. Dit betekent dat [wederpartij] door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingplan niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren. Daarvan uitgaande, wordt, gelet op de beoordelingssystematiek, niet meer toegekomen aan de vraag of [wederpartij] ten gevolge van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, en dus ook niet aan de vraag naar de toerekening naar redelijkheid van die schade, of de omvang van die schade. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Conclusie

8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover de Staat der Nederlanden daarbij is veroordeeld tot betaling aan [wederpartij] van een schadevergoeding van € 1.000,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op wat hiervoor onder 7.2 en 7.3 is overwogen, het door [wederpartij] tegen het besluit van 22 september 2021 ingestelde beroep ongegrond verklaren. Bij dat besluit heeft het college de afwijzing van de aanvraag om tegemoetkoming in planschade terecht gehandhaafd.

Beroep van rechtswege

9. Het besluit van 7 juli 2025 is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, eveneens geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Oordeel van de Afdeling

10. Omdat met de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, de grondslag aan het besluit van 7 juli 2025 is ontvallen, wordt dat besluit vernietigd. De Afdeling komt om die reden niet toe aan het geven van een inhoudelijk oordeel over dit besluit.

Proceskosten

11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 4 maart 2024 in zaak nr. 21/2635, behoudens voor zover de Staat der Nederlanden daarbij is veroordeeld tot betaling aan [wederpartij] van een schadevergoeding van € 1.000,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van college van burgemeester en wethouders van Someren van 7 juli 2025.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J.F. de Groot, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Ravels

voorzitter

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025

452

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. B.P.M. van Ravels
  • mr. J. Gundelach
  • mr. J.F. de Groot

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?