202201944/1/R4.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Vereniging Vrienden van het Gooi (hierna: VVG), gevestigd in Huizen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 17 februari 2022 in zaak nr. 21/1250 in het geding tussen:
VVG
en
het college van burgemeester en wethouders van Blaricum.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2019 heeft het college een verzoek van VVG om handhavend op te treden met betrekking tot het volleybalveld op het recreatiestrand in het natuurgebied Voorland aan de Stichtseweg 3a in Blaricum (hierna: de locatie) toegewezen en met betrekking tot de strandverbreding, de paden en de verharding afgewezen.
Bij besluit van 20 januari 2021 heeft het college het door VVG daartegen gemaakte bezwaar onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 februari 2022 heeft de rechtbank het door VVG daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft VVG hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
VVG heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 december 2025, waar VVG, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. de Jong en D.B.M. Grote Beverborg, bijgestaan door mr. M. Bekooy, advocaat te Deventer, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 7 juni 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het Voorland bij de Stichtse Brug is een natuurgebied met recreatiestrand en is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Begin 2019 is in opdracht van de gemeente Blaricum op de locatie het strand deels afgegraven en met zand opgehoogd. Ook zijn op de locatie een volleybalveld en een pad aangelegd. Op 7 juni 2019 heeft VVG het college verzocht om handhavend op te treden tegen de strandverbreding, het volleybalveld, de paden en de verharding. Het college heeft dit verzoek bij besluit van 14 november 2019 ten aanzien van het volleybalveld toegewezen en ten aanzien van de strandverbreding, de paden en de verharding afgewezen.
Ontvankelijkheid van het beroep
3. VVG betoogt dat de rechtbank haar beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens VVG is het beroepschrift tijdig ingediend. Daartoe voert VVG aan dat de salderingsovereenkomst onderdeel uitmaakt van het besluit op bezwaar van 20 januari 2021, maar pas op 9 februari 2021 naar haar is verzonden. Dit betekent volgens VVG dat de beroepstermijn eerst is gestart na verzending van de salderingsovereenkomst.
3.1. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien: a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep […]."
Artikel 6:7 van de Awb luidt: "De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."
Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb luidt: "De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."
3.2. Voor het antwoord op de vraag of VVG het beroepschrift te laat heeft ingediend, dient vastgesteld te worden op welk moment de beroepstermijn is gestart. Het besluit op bezwaar van 20 januari 2021 is op 21 januari 2021 verzonden. Volgens artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de beroepstermijn aan op de dag na verzending van het besluit op bezwaar. Dit betekent, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de beroepstermijn is aangevangen op 22 januari 2021. Dat bij het besluit op bezwaar de salderingsovereenkomst niet is meegezonden, maakt geen verschil voor de aanvang van de beroepstermijn. Deze salderingsovereenkomst maakt geen onderdeel uit van het besluit van 20 januari 2021, zodat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de salderingsovereenkomst niet bepalend is voor de bekendmaking van het besluit van 20 januari 2021 en voor de aanvang van de beroepstermijn.
Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de beroepstermijn gelet op artikel 6:7 van de Awb is geëindigd op 4 maart 2021. Het beroepschrift is na die termijn ingediend op 16 maart 2021. Dit betekent dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
700-1096