202500654/1/V2.Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 24 januari 2025 in zaak nr. NL24.39095 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven, waarop appellant heeft gereageerd.
Op verzoek van de Afdeling hebben de minister en appellant nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op 8 september 2025 gelijktijdig met zaak nr. BRS.25.000585 op een zitting behandeld, waar appellant, bijgestaan door mr. B. Manawi, advocaat in Delft, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser, zijn verschenen. Verder is B. Petros Gebreyesus als tolk verschenen.
Overwegingen
1. Appellant heeft de Ethiopische nationaliteit en komt uit Aksum, een stad in de regio Tigray in Ethiopië. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn Tigreese etniciteit is mishandeld tijdens zijn werk als taxichauffeur, omdat hij zowel Amhaarse als Tigreese mensen vervoerde. Daarnaast stelt hij dat hij werd gediscrimineerd toen de oorlog uitbrak in Tigray, en dat mensen massaal werden vermoord toen het leger zijn dorp binnenviel. De minister heeft de nationaliteit en herkomst van appellant geloofwaardig geacht, net als de ondervonden discriminatie wegens zijn Tigreese etniciteit. De minister stelt zich echter op het standpunt dat appellant bij terugkeer naar Ethiopië geen reëel risico loopt op ernstige schade.
1.1. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op het beleid van de minister in paragraaf C7/14.4 van de Vc 2000 over de veiligheids- en mensenrechtensituatie in Ethiopië en de betekenis daarvan voor de uit Aksum afkomstige appellant. Naar aanleiding van het algemeen ambtsbericht Ethiopië van januari 2024 heeft de minister bepaald dat er in Tigray geen sprake meer is van willekeurig geweld in het kader van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft in de Kamerbrief van 29 mei 2024, Kamerstukken II 2023/24, 19637, nr. 3253 en de daarbij horende beslisnota, met kenmerk 5219017, haar gewijzigde landenbeleid voor Ethiopië uiteengezet. Aanleiding voor de wijziging ten aanzien van Tigray is de in november 2022 gesloten staakt-het-vurenovereenkomst tussen het Tigray People’s Liberation Front en de Ethiopische federale autoriteiten.
1.2. De Afdeling betrekt bij haar toetsing ook de stukken waarop partijen pas na de uitspraak van de rechtbank een beroep hebben gedaan. Dit doet zij omwille van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling, de rechtsbescherming in algemene zin en de actualiteitswaarde van de uitspraak voor de behandeling van asielzaken van vreemdelingen die zich beroepen op de veiligheidssituatie in Tigray in Ethiopië. Deze toetsing beperkt zich, gelet op de artikelen 8:65, eerste lid, en 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tot het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling op 8 september 2025. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2017, onder 2.
Grief over de algemene veiligheidssituatie
2. Appellant klaagt in de eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië niet aannemelijk heeft gemaakt. Onder verwijzing naar onder meer artikelen van The Guardian van 7 november 2024 en van Modern Diplomacy van 17 november 2024 betoogt hij dat de situatie in Aksum voor personen met de Tigreese etniciteit nog steeds zorgwekkend is. Volgens appellant heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met actuele landeninformatie, waaruit blijkt dat in Aksum sprake is van willekeurig geweld als gevolg van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
2.1. Bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2025:6058, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister in paragraaf C7/14.4 van de Vc 2000 deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Mek’ele in Tigray geen sprake is van een situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Er is namelijk geen sprake van een binnenlands gewapend conflict in de gebieden in Tigray onder beheer van de Tigrayan Interim Regional Administration (hierna: de TIRA). Uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat in Aksum, dat net als Mek’ele valt onder het beheer van de TIRA, nog wel aanzienlijke criminaliteit plaatsvindt, maar ook dat de veiligheidssituatie daar sinds de staakt-het-vurenovereenkomst is verbeterd. Dit uit zich in een aanzienlijke daling van gewapende confrontaties, mensenrechtenschendingen en het aantal burgerdoden. De minister wijst terecht op informatie van het Armed Conflict Location & Event Data (hierna: het ACLED), waaruit blijkt dat in de periode tussen 1 juli 2024 en 1 juli 2025 drie veiligheidsincidenten zijn geregistreerd in Aksum. Het ACLED heeft blijkens die informatie ook twee vreedzame protesten als veiligheidsincident geregistreerd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Aksum sprake is van een binnenlands gewapend conflict. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen de incidenten en de criminaliteit in Aksum niet gekwalificeerd worden als willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Ook heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de humanitaire omstandigheden in Aksum het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2. Uit de overgelegde landeninformatie blijkt dat met name weersomstandigheden, insectenplagen en de economische situatie als oorzaken van voedseltekorten zijn genoemd. Ook blijkt uit informatie van het United Nations Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) dat Aksum toegankelijk is voor humanitaire hulpverlening. In het licht van deze informatie heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Ethiopië niet aannemelijk heeft gemaakt.
2.2. De eerste grief slaagt niet.
Grief over de individuele beoordeling
3. Wat appellant in de tweede grief aanvoert over de beoordeling van zijn identiteit leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Toonen, griffier.
w.g. Sevenstervoorzitter
w.g. Toonengriffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
979