202405156/1/V3.
Datum uitspraak: 18 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 17 juli 2024 in zaak nr. NL24.2632 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Op 8 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een eerder genomen terugkeerbesluit aangevuld.
Bij mondelinge uitspraak van 17 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Görsültürk, advocaat in Oss, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant op verzoek van de Afdeling heeft gereageerd.
Overwegingen
1. Appellant is na het instellen van het hoger beroep overleden. Daarmee is het belang bij het hoger beroep in beginsel vervallen. De gemachtigde heeft bij brief van 27 mei 2025 gesteld dat de nabestaanden van appellant nog een belang zouden hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep en om een termijn van vier weken verzocht om definitief bericht hierover te kunnen geven. De gemachtigde heeft de Afdeling geen nadere berichten gestuurd over het gestelde belang van nabestaanden bij beoordeling van het hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025
347-1125