202407428/1/V3.
Datum uitspraak: 18 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 december 2024 in zaak nr. NL24.45906 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 5 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. H. Hassan, advocaat in Almere, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 7 februari 2025 heeft de minister opnieuw een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Betrokkene heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
1. Bij brief van 20 maart 2025 heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan Kroatië is verstreken. Betrokkene moet daarom worden opgenomen in de nationale asielprocedure. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep.
1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. In deze procedure ligt dit anders. De centrale vraag in de Dublinprocedure is welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Gelet op de brief van 20 maart 2025, staat in dit geval vast dat Nederland daarvoor verantwoordelijk is. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep verder geen rechtsvraag op die beantwoording behoeft wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van haar hoger beroep. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3822.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet voor de behandeling van het hoger beroep de proceskosten vergoeden.
3. De Afdeling beoordeelt nu het beroep tegen het besluit van 7 februari 2025 dat de minister heeft genomen ter uitvoering van de rechtbankuitspraak (artikel 6:19, eerste lid, samen met artikel 6:24 van de Awb). In dat besluit heeft de minister de asielaanvraag van betrokkene opnieuw niet in behandeling genomen, omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Omdat de minister de asielaanvraag als gevolg van tijdsverloop inmiddels alsnog in behandeling moet nemen, heeft betrokkene bereikt wat hij met zijn beroep beoogde. Daarom heeft betrokkene geen belang meer bij de beoordeling van zijn beroep. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253, onder 2.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft voor de behandeling van het beroep geen proceskosten te vergoeden. Zij heeft namelijk als gevolg van tijdsverloop de asielaanvraag alsnog in behandeling genomen. Zij is dus niet aan betrokkene tegemoetgekomen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:182, onder 2.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2025, V-[…], niet-ontvankelijk;
III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025
985