202505588/1/A3 en 202505588/2/A3.
Datum uitspraak: 17 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb), en met toepassing van artikel 8:86 van de Awb op het hoger beroep van:
[verzoekster], wonend in Warmond, gemeente Teylingen,
verzoekster,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) van 17 oktober 2025 in zaken nrs. 25/6947 en 25/6948 in het geding tussen:
[verzoekster]
en
het college van burgemeester en wethouders van Teylingen.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2023 heeft het college een verzoek van [derde-belanghebbenden] om handhaving bij [verzoekster] afgewezen.
Bij besluit van 29 september 2025 heeft het college het door [derde-belanghebbenden] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten alsnog tot handhaving over te gaan.
Bij besluit van 25 september 2025 heeft het college aan [verzoekster] een last onder dwangsom opgelegd.
Bij uitspraak van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoekster] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[derde-belanghebbenden] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[verzoekster] heeft een nader stuk ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 november 2025, waar [verzoekster], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, rechtsbijstandverlener in Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. van Werkhoven, vergezeld door mr. L. Elderhorst, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [derde-belanghebbenden] als derde-belanghebbenden verschenen.
Overwegingen
Kortsluiting
1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Inleiding
2. [verzoekster] is woonachtig in Warmond. Daar houdt zij in haar achtertuin op hobbymatige wijze verschillende pluimveesoorten, waaronder meerdere Wyandotte-hanen. De woningen van [derde-belanghebbenden] bevinden zich in de nabije omgeving. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen de door hen ervaren geluidsoverlast van de hanen. In augustus 2024 heeft [verzoekster] reeds afstand gedaan van zeven hanen. Het aantal gehouden hanen was daarmee nog vier. [verzoekster] heeft voorts toegezegd de eieren te rapen, zodat er geen nieuwe hanen meer bij komen. [derde-belanghebbenden] hebben hun bezwaar evenwel aangehouden, omdat zij nog steeds onaanvaardbare geluidsoverlast ervaren. Na een nieuw geluidstechnisch rapport van 17 september 2025 heeft het college alsnog besloten tot handhaving over te gaan op grond van artikel 151d van de Gemeentewet, gelezen in samenhang met artikel 2.79, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Teylingen 2024. Het college heeft aan [verzoekster] de last opgelegd om de geconstateerde overtreding voor 21 oktober 2025 te beëindigen en beëindigd te houden. Doet zij dit niet, dan verbeurt zij een dwangsom van € 750,00 per constatering. Met een submaximum van € 750,00 per week en een maximum van € 3.000,00.
Na de uitspraak van de rechtbank heeft [verzoekster] van nog een haan afstand gedaan. Ten tijde van het hoger beroep heeft [verzoekster] nog twee hanen, die een hoge leeftijd hebben bereikt. Haar verwachting is dat deze oude hanen de komende winter niet overleven. Ook betoogt [verzoekster] dat het gezien hun hoge leeftijd niet mogelijk is om een geschikte opvanglocatie voor deze hanen te vinden. Volgens [verzoekster] zijn de hanen van wezenlijk belang voor haar mentale welzijn.
Aangevallen uitspraak
3. De rechtbank ziet in het betoog van [verzoekster] geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen in het geluidstechnisch rapport van 17 september 2025. Hieruit volgt dat gedurende de onderzoeksperiode op alle dagdelen sprake is geweest van serieuze overschrijdingen van het toegestane geluidsniveau. Het college mocht het geluidstechnisch rapport dan ook als grondslag gebruiken voor de vaststelling dat sprake is van een overtreding. Naar het oordeel van de rechtbank weegt de sterke emotionele waarde die de hanen voor [verzoekster] hebben niet op tegen de geluidshinder die de nabije omgeving al geruime tijd ondervindt. Hoewel [verzoekster] al maatregelen heeft getroffen om de geluidshinder te beperken, hebben deze de hinder niet naar een aanvaardbaar niveau kunnen brengen. Het college heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het opleggen van deze last onder dwangsom in dit geval het aangewezen besluit is. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling dat het college in dit geval eerst nog minder verstrekkende opties had moeten onderzoeken.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [verzoekster] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college geen onderzoek hoefde te doen naar een minder verstrekkende optie. Volgens [verzoekster] zou bij inschakeling van een deskundige duidelijk zijn geworden dat de kans zeer groot is dat de twee oude hanen de aankomende winter sowieso niet zullen overleven. Het is niet redelijk volgens [verzoekster] dat de last ook op deze twee oude hanen van toepassing is.
4.1. De gronden die [verzoekster] heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [verzoekster] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 8.1 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat het persoonlijke belang van [verzoekster] om de twee oude hanen te behouden niet opweegt tegen het zwaarwegende belang van de omwonenden bij beëindiging van de geconstateerde geluidsoverlast.
4.2. Het betoog slaagt niet
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
6. Omdat uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat geen grond meer.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025
1105