202306787/2/R4.
Datum uitspraak: 16 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van:
[appellante], gevestigd in Putten, als rechtsopvolger van [bedrijf A], en [bedrijf B], gevestigd in [plaats],
verzoeksters (hierna samen en in enkelvoud: [appellante]),
hangende het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Putten
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 september 2023 in zaak nr. 21/2002 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college
Openbare zitting gehouden op 16 december 2025 om 11:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. A.B. Blomberg, voorzieningenrechter
griffier: mr. W.J.C. Robben
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. V.J. Leijh en mr. T.W.S. Mol, advocaten in Amsterdam;
het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Vooren en ing. P. Hennekij;
Fyral Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door mr. R.E. Helder, advocaat in Utrecht, en [gemachtigde].
Bij besluit van 26 september 2019 heeft het college aan [bedrijf C] een omgevingsvergunning verleend voor bouwen en handelen in strijd met een bestemmingsplan op de [locatie] in Putten.
Bij besluit van 13 februari 2024 heeft het college, in opdracht van de rechtbank, opnieuw op het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar beslist door het besluit van 26 september 2019 te herroepen voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het handelen in strijd met een bestemmingsplan.
Het college heeft daarbij de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan "Gervenhof & Dorpsstraat e.o." (hierna: het plan) dat de raad van de gemeente Putten bij besluit van 25 mei 2023 heeft vastgesteld en dat op 29 juli 2023 in werking is getreden.
Het plan maakt onder andere een kringloopwinkel mogelijk op de locatie en op de zitting heeft de voorzieningenrechter vastgesteld dat er al een kringloopwinkel op de locatie is gevestigd. Onder verwijzing naar de regels van het plan heeft het college zich in de motivering bij het besluit van 13 februari 2024 op het standpunt gesteld dat de parkeervraag van de kringloopwinkel niet hoeft te worden beoordeeld.
Die beoordeling heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van het plan, aldus het college in die motivering. [appellante] heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 13 februari 2024 te schorsen. Het beroep van [appellante] tegen de vaststelling van het plan wordt op 17 december aanstaande op een zitting van de Afdeling behandeld.
De voorzieningenrechter heeft op de zitting vastgesteld dat [appellante] met haar verzoek wil voorkomen dat de raad zich in de beroepsprocedure over het plan op het standpunt zal stellen dat, gezien het besluit van 13 februari 2024, de parkeervraag van de kringloopwinkel niet bij de totstandkoming van het plan hoefde te worden meegenomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
Het besluit van 13 februari 2024 dateert van na de vaststelling van het plan. Het plan zal door de Afdeling worden getoetst aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van de vaststelling van dat plan.
Dit betekent dat het door het college in de motivering bij het besluit van 13 februari 2024 ingenomen standpunt over de beoordeling van de parkeervraag van de kringloopwinkel, op zichzelf bezien, geen bepalende rol kan spelen bij de toetsing van het plan door de Afdeling. Alleen al daarom ontbreekt spoedeisend belang.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Blomberg
voorzieningenrechter
w.g. Robben
griffier
610