202407511/1/V3.
Datum uitspraak: 19 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47657 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 20 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.M. Volwerk, advocaat in Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
De minister en betrokkene hebben op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Overwegingen
Beoordeling van het hoger beroep
1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het Justitieel Complex Schiphol geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.
1.1. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden
2. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat de minister verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
3. Betrokkene betoogt dat hij minderjarig is en dat de minister ten onrechte geen leeftijdsschouw heeft uitgevoerd voordat hij hem in grensdetentie plaatste, zodat de grensdetentie onrechtmatig is.
3.1. Betrokkene is Nederland ingereisd met een door de Koninklijke Marechaussee echt bevonden Keniaans paspoort, waarin staat dat hij is geboren op 1 januari 2000. Uit het proces-verbaal van gehoor van 20 november 2024 volgt dat betrokkene bij het uiten van zijn asielwens niet heeft verklaard dat hij minderjarig is. In het aanvraagformulier van diezelfde datum heeft betrokkene zijn geboortedatum ook niet gecorrigeerd. Bij het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel bestond er voor de minister dus geen aanleiding om te twijfelen aan de meerderjarigheid van betrokkene.
Tijdens het aanmeldgehoor op 23 november 2024 heeft betrokkene aanvankelijk verklaard dat de naam en de geboortedatum waar de minister van uitgaat juist zijn. Later in dat gehoor heeft hij verklaard dat hij een andere naam heeft en dat hij geboren is op 8 oktober 2008. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een kopie van een Somalische geboorteakte overgelegd waaruit dit zou volgen. Betrokkene stelt dat zijn uiterlijk en gedrag ook de indruk wekken dat hij minderjarig is. De Afdeling ziet in deze omstandigheden en in de overige dossierstukken onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat de minister er niet langer van mocht uitgaan dat betrokkene meerderjarig is en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is.
3.2. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Omdat de voorzieningenrechter van de Afdeling in hoger beroep het verzoek om een voorlopige voorziening van de minister heeft toegewezen, is de vrijheidsontnemende maatregel niet opgeheven naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling heeft de duur van de grensdetentie ambtshalve aan de orde gesteld. De minister heeft erkend dat de grensdetentie vanaf 19 februari 2025 onrechtmatig was. De Afdeling ziet ambtshalve geen aanleiding om de grensdetentie vanaf een eerdere datum dan 19 februari 2025 onrechtmatig te achten.
Conclusie beroep
5. Het beroep is gegrond. Nu de grensdetentie al is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Betrokkene heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan betrokkene toegekend. De minister moet de proceskosten van het beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag,
zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47657;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan betrokkene een vergoeding toe van € 300,00 over de periode van 19 februari 2025 tot en met 21 februari 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025
1017