ECLI:NL:RVS:2025:6238

ECLI:NL:RVS:2025:6238, Raad van State, 24-12-2025, 202405197/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 24-12-2025
Datum publicatie 31-12-2025
Zaaknummer 202405197/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen (hierna: de asielaanvraag). Bij uitspraak van 16 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister de asielaanvraag van appellant ingewilligd.

Uitspraak

202405197/1/V3.

Datum uitspraak: 24 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 augustus 2024 in zaak nr. NL24.28469 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen (hierna: de asielaanvraag).

Bij uitspraak van 16 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R. Deniz, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de minister de asielaanvraag van appellant ingewilligd.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

Hoger beroep

1. Appellant klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard.

1.1. Appellant heeft geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is namelijk een middel om ervoor te zorgen dat in dit geval de minister een besluit neemt op de asielaanvraag van appellant. Dat doel is bereikt, omdat de minister dat bij besluit van 6 februari 2025 heeft gedaan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:875, onder 3.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

3. Niettemin moet worden bezien of de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als zij aan appellant tegemoet is gekomen of als het belang bij een uitspraak op het hoger beroep anderszins door haar toedoen is vervallen. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer de minister hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit dit besluit alsnog neemt, dit wordt aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Zie onder meer de uitspraken van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:665, onder 1.2, en 24 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4296, onder 5. In dit geval is het belang van een uitspraak komen te vervallen, omdat de minister hangende het hoger beroep een besluit op de asielaanvraag heeft genomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.

4. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe voor het beroepschrift. Voor het indienen van het hogerberoepschrift geldt wegingsfactor 1, omdat het hogerberoepschrift gaat over de geldigheid van de ingebrekestelling.

Het besluit van 6 februari 2025

5. De minister is in het besluit van 6 februari 2025 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft desgevraagd niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Daarom is tegen dit besluit geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.360,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.

w.g. Luijendijk

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Bekhoven

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025

959

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.J.P.G. van Bekhoven

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?