BRS.25.000910
ECLI:NL:RVS:2025:6244
Datum uitspraak:23 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juli 2025 in zaken nrs. NL25.20663 en NL25.20665 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluiten van 28 april 2025 heeft de minister aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 18 juli 2025 heeft de rechtbank de daartegen door betrokkenen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister betrokkenen opnieuw moet horen, in de Comorese taal, en nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. V. Senczuk, advocaat in Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Betrokkenen zijn een man en een vrouw die de Comorese nationaliteit hebben. Ze zijn verloofd. De man, betrokkene 1, heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hem homoseksualiteit wordt toegedicht en dat hij daarom gevaar loopt op de Comoren. De vrouw, betrokkene 2, vreest wegens de problemen van betrokkene 1 voor de Comorese autoriteiten. Ze heeft daarnaast aan haar asielrelaas ten grondslag gelegd dat zij bij terugkeer vreest voor haar familie, omdat die het niet eens is met haar verloving met betrokkene 1. De minister heeft hun asielaanvragen afgewezen, omdat betrokkenen op verschillende punten inconsequente en tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. De minister heeft betrokkenen niet in hun moedertaal, het Comorees, gehoord, maar in het Frans.
Deze procedure gaat over de vraag of de minister betrokkenen zorgvuldig heeft gehoord en of zij er in de besluitvorming voldoende rekening mee heeft gehouden dat zij hen niet in hun moedertaal heeft gehoord.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, omdat de minister betrokkenen heeft gehoord in het Frans terwijl hun moedertaal het Comorees is. De rechtbank heeft een groot aantal passages uit de gehoren aangehaald waaruit blijkt dat de communicatie tussen de tolk en betrokkenen moeizaam verliep. Ze heeft overwogen dat de minister onvoldoende heeft gewaarborgd dat betrokkenen hun asielrelaas met behulp van een tolk in de Franse taal goed konden vertellen. De rechtbank heeft daarom overwogen dat zij niet kan uitsluiten dat de door de minister benoemde tegenstrijdigheden zijn ontstaan doordat betrokkenen de Franse taal onvoldoende beheersen. Ze heeft de minister daarom opgedragen om betrokkenen te horen in het Comorees, zodat zij in hun moedertaal kunnen verklaren over hun asielrelaas. Dat er in Nederland geen tolken beschikbaar zijn in het Comorees, neemt niet weg dat de minister op andere manieren betrokkenen kan horen in hun moedertaal, bijvoorbeeld door middel van een tolk uit het buitenland, een digitale tolk, of het gebruik van een dubbele tolk. Die mogelijkheden heeft de minister onvoldoende onderzocht, aldus de rechtbank.
3. De minister klaagt in haar grieven over dit oordeel. Ze voert in haar eerste grief aan dat de opdracht van de rechtbank praktisch onuitvoerbaar is. Ze stelt dat zij ook buiten Nederland heeft gezocht naar mogelijke tolken in het Comorees, onder andere via internationale contacten, maar dat dit geen geschikte tolk heeft opgeleverd. Ze wijst er verder op dat zij bij een tolk uit het buitenland zal moeten nagaan of die de Comorese taal beheerst en ook daadwerkelijk daarin kan tolken, wat tijd en inspanning kost, en dat aan de inzet van een niet-registertolk voorwaarden zijn verbonden. Tot slot zijn de neutraliteit en integriteit van buitenlandse tolken niet gegarandeerd. De minister voert in haar tweede grief aan dat de rechtbank haar ten onrechte heeft opgedragen om betrokkenen alsnog te horen in het Comorees, omdat zij hen bij gebrek aan een tolk in de Comorese taal heeft gehoord in het Frans, dat een officiële taal is op de Comoren, en ze tijdens het horen en beslissen voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij betrokkenen niet in hun moedertaal heeft gehoord.
3.1. Het is niet in geschil dat er in Nederland geen tolk beschikbaar is in het Comorees. Dat houdt in dat er geen tolk in die taal staat ingeschreven in het Register beëdigde tolken en vertalers, maar ook dat er geen tolk beschikbaar is via de noodlijst of andere erkende netwerken. De minister heeft bij gebrek aan een tolk in de Comorese taal gebruikgemaakt van een tolk in de Franse taal met affiniteit met Afrikaans-Frans. Frans is een officiële taal op de Comoren. Zoals de rechtbank heeft overwogen, kan er daarnaast van worden uitgegaan dat betrokkenen die taal ook enigszins beheersen. Betrokkene 1 heeft tot zijn veertiende of vijftiende jaar onderwijs in het Frans gevolgd. Betrokkene 2 heeft na de middelbare school nog drie jaar een universitaire opleiding gevolgd in het Frans en Comorees. Hoewel de minister betrokkenen niet in de taal van hun voorkeur heeft gehoord, heeft zij hen gelet daarop wel gehoord in een taal waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat zij die kunnen verstaan. Dit is in overeenstemming met artikel 38, eerste lid, van de Vw 2000 en paragraaf C1/2.11 van de Vc 2000.
3.2. De rechtbank heeft verder op zichzelf terecht gewezen op meerdere passages uit de gehoren waaruit blijkt dat betrokkenen hebben verklaard dat zij niet zo goed Frans spreken, dat zij de tolk niet altijd goed begrepen en dat de communicatie tussen betrokkenen en de tolk soms moeizaam verliep. De minister betoogt echter terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit het gehoor en het besluit blijkt dat zij kenbaar en voldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat zij betrokkenen niet in hun moedertaal heeft gehoord. De minister is in de besluitvorming ingegaan op de mate waarin betrokkenen het Frans beheersen en wat er van hen mocht worden verwacht. Daarbij heeft ze bij concrete tegenwerpingen gemotiveerd wat van betrokkenen kon worden verwacht gelet op hun beheersing van het Frans. Daarnaast heeft de minister er in de besluitvorming terecht op gewezen dat uit de gehoren volgt dat betrokkenen de vragen hebben begrepen en zij inhoudelijk daarop hebben gereageerd. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister tijdens het nader gehoor voldoende gewaarborgd dat betrokkenen hun asielrelaas in het Frans konden vertellen en heeft zij er op die manier voldoende rekening mee gehouden dat Frans niet hun voorkeurstaal is. Zo heeft de minister er in de besluitvorming terecht op gewezen dat de tolk regelmatig verklaringen heeft samengevat, geverifieerd en verduidelijkt. Daarnaast heeft de gehoormedewerker vragen al dan niet visueel uitgelegd als dat nodig was. Zij heeft er ook op gewezen dat betrokkenen het kunnen opmerken als zij vragen niet begrijpen, waar zij ook gebruik van hebben gemaakt. Daarna heeft de gehoormedewerker vragen zo gesteld dat betrokkenen daar wel op konden reageren. De onduidelijkheden en miscommunicaties die er waren, heeft de gehoormedewerker daarmee opgelost. Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank de minister ten onrechte opgedragen om betrokkenen te horen in het Comorees.
3.3. De tweede grief slaagt.
4. Het hoger beroep is alleen al daarom gegrond. Het is niet nodig om de eerste grief van de minister, over de praktische uitvoerbaarheid van de opdracht van de rechtbank, te bespreken. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 juli 2025 in zaken nrs. NL25.20663 en NL25.20665;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van L.W. Lagaaij LLM, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Lagaaij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025
1048-936