ECLI:NL:RVS:2025:6247

ECLI:NL:RVS:2025:6247, Raad van State, 23-12-2025, BRS.25.000026

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 31-12-2025
Zaaknummer BRS.25.000026
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 27 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.25.000026

ECLI:NL:RVS:2025:6247

Datum uitspraak: 23 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 januari 2025 in zaak nr. NL24.51784 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 27 december 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 8 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.D. Kupelian, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Feiten

1. Betrokkene is op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Aan de maatregel van bewaring liggen de zware gronden 3b en 3c en de lichte gronden 4a, 4c en 4d uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 ten grondslag. Betrokkene heeft de gronden niet betwist.

1.1. Betrokkene heeft in strafrechtelijke detentie gezeten van 28 juni 2024 tot en met 25 augustus 2024, en van 14 oktober 2024 tot en met 27 december 2024. Betrokkene is aansluitend op de strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld op 27 december 2024.

Het hoger beroep van de minister en het oordeel van de Afdeling

De eerste grief

2. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat een feitelijke vaststelling van een zware grond uit artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 niet kan volstaan om een maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan namelijk ook met een feitelijke vaststelling worden voldaan aan het vereiste van individueel motiveren. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5663, onder 2.

2.1. De grief slaagt.

De tweede grief

3. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de motivering in de maatregel van bewaring onvoldoende is toegespitst op de concrete situatie van betrokkene.

3.1. Op grond van artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 bestaat er een risico dat een vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken wanneer ten minste twee gronden zich voordoen. De minister heeft in het geval van betrokkene vermeld dat onder meer de zware grond 3c en de lichte grond 4a, genoemd in die bepaling, zich voordoen.

3.2. Wat betreft de zware grond 3c, heeft de minister feitelijk toegelicht dat zij een terugkeerbesluit heeft genomen en dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan de daaruit volgende vertrekplicht. De minister heeft op 22 mei 2024 een terugkeerbesluit genomen en betrokkene opgedragen binnen 28 dagen de Europese Unie te verlaten. Betrokkene heeft hieraan niet voldaan, terwijl hij dat buiten de periodes van strafrechtelijke detentie wel had kunnen doen. Anders dan uit de uitspraak van de rechtbank volgt, heeft de minister bij deze grond mogen volstaan met een feitelijke toelichting en heeft zij haar motivering voldoende op betrokkene toegespitst.

Wat betreft de lichte grond 4a, heeft de minister nader toegelicht dat betrokkene niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000.

3.3. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de minister hiermee deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden in beginsel een risico op onttrekking aan vreemdelingentoezicht volgt.

3.4. Omdat op basis van deze twee gronden de minister terecht heeft aangenomen dat er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken, hoeven de andere gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen, niet te worden besproken.

3.5. De rechtbank heeft bij de vraag of er een risico op onttrekking bestaat, overwogen dat van belang is dat betrokkene zich tot op heden nimmer aan het toezicht heeft onttrokken en zich zowel na zijn binnenkomst in Nederland als na zijn strafrechtelijke detentie heeft gemeld bij het azc in Ter Apel. Verder acht de rechtbank van belang dat betrokkene heeft verklaard dat hij zich altijd aan zijn meldplicht heeft gehouden en geen reden ziet om dat in de toekomst niet meer te doen. Deze omstandigheden nemen echter niet weg dat uit de zware grond 3c en lichte grond 4a in beginsel een risico op onderduiken volgt. De feitelijke juistheid van de gronden wordt niet betwist met deze omstandigheden, en deze omstandigheden maken ook niet dat in het geval van betrokkene de bovengenoemde gronden niet langer van belang zijn voor het aannemen van een risico op onderduiken. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5262, onder 4.1. Dat betrokkene zich niet eerder aan het toezicht zou hebben onttrokken, zich na zijn strafrechtelijke detentie vrijwillig heeft gemeld bij het azc in Ter Apel en heeft verklaard zich aan zijn meldplicht te houden, neemt niet weg dat betrokkene zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht (grond 3c), en niet beschikt over een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 (grond 4a).

3.6. De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen de beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Het beroep

5. Betrokkene voert aan dat de minister ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. In dit kader voert hij aan dat hij vlak na het ontvangen van het terugkeerbesluit al strafrechtelijk is opgepakt. Verder is hij na zijn vrijlating naar het azc in Ter Apel gegaan en heeft hij contact gehad met zijn advocaat. Ook is hij Nederland ingereisd met een Schengenvisum en heeft hij nooit aliassen gebruikt, waardoor de minister bekend is met zijn gegevens.

5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals de minister heeft toegelicht in de maatregel van bewaring, heeft betrokkene weliswaar vastgezeten in strafrechtelijke detentie, maar heeft hij voldoende tijd gehad om te vertrekken. Het terugkeerbesluit is namelijk van 22 mei 2024 en uit het proces-verbaal van het gehoor bij bewaring blijkt dat betrokkene heeft verklaard dat hij na zijn strafrechtelijke detentie op 25 augustus 2024 naar het azc in Ter Apel is gegaan en daar een maand heeft verbleven. Alleen al gelet daarop had betrokkene voldoende tijd om aan zijn vertrekplicht te voldoen.

Dat betrokkene na zijn vrijlating naar het azc in Ter Apel is gegaan, contact heeft gehad met zijn advocaat, heeft verklaard dat hij aan zijn meldplicht zal voldoen, en dat de minister bekend zou zijn met gegevens van betrokkene, neemt verder het risico op onttrekking aan vreemdelingentoezicht niet weg. Uit het proces-verbaal bij gehoor bij bewaring blijkt namelijk dat betrokkene meerdere keren heeft verklaard niet mee te willen werken aan zijn terugkeer naar Algerije. Om die reden hoeft de minister er niet op te vertrouwen dat betrokkene daadwerkelijk zijn meldplicht zal nakomen.

Conclusie beroep

6. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 januari 2025 in zaak nr. NL24.51784;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. De Poorter

voorzitter

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025

846-1073

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.C.A. de Poorter
  • mr. J.M. Willems
  • mr. M. den Heyer

Griffier

  • mr. T.W.A. Weber

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?