202501379/1/V3.
Datum uitspraak: 22 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 februari 2025 in zaak nr. NL25.7189 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
a
Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.W.F. Menick, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Feiten
1. De minister heeft appellant op 7 februari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Vervolgens heeft de minister bij besluit van 15 februari 2025 (hierna: het asielbesluit) de vierde asielaanvraag van appellant niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000. De minister heeft in dit asielbesluit vermeld dat zij de maatregel van bewaring met drie maanden verlengt op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000. Bij aanvullend besluit van 17 februari 2025 heeft de minister het asielbesluit gecorrigeerd. De minister heeft daarin toegelicht dat zij in het asielbesluit onjuist heeft opgenomen dat de maatregel met drie maanden wordt verlengd. Volgens de minister wordt de maatregel namelijk niet verlengd. De minister heeft één dag daarna, op 18 februari 2025, de maatregel van 7 februari 2025 opgeheven en een nieuwe maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
1.1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de maatregel van bewaring rechtsgeldig heeft opgelegd en dat de maatregel rechtmatig heeft voortgeduurd tot het moment van opheffing op 18 februari 2025.
2.1. De rechtbank heeft overwogen dat het aanvullend besluit van 17 februari 2025 niet tot gevolg heeft dat de maatregel van bewaring niet is verlengd met het asielbesluit van 15 februari 2025. De minister heeft de maatregel op 15 februari 2025 dan ook rechtsgeldig verlengd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister met het aanvullend besluit van 17 februari 2025 de verlenging van de maatregel stopgezet, waardoor op dat moment de grondslag van de maatregel is vervallen.
2.2. Verder heeft de rechtbank overwogen dat zij niet begrijpt waarom de minister bij aanvullend besluit van 17 februari 2025 het asielbesluit heeft gecorrigeerd. Naar het oordeel van de rechtbank was de minister wel bevoegd om de maatregel met drie maanden te verlengen. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
2.3. De rechtbank heeft verder overwogen dat, wanneer de grondslag van een maatregel van bewaring vervalt, doorgaans wordt aangenomen dat de minister twee dagen heeft om de grondslag om te zetten. Zij verwijst hierbij naar haar uitspraak van 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16568, onder 19. De rechtbank heeft overwogen dat zij steeds zal beoordelen of de termijn die is verstreken tussen het vervallen van de grondslag en het opleggen van een opvolgende maatregel, noodzakelijk is geweest voor het te verrichten onderzoek en de oplegging van de maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval het tijdsverloop tussen 17 februari 2025 en 18 februari 2025 zo klein, dat na het vervallen van de grondslag geen sprake is geweest van onrechtmatig voortduren van de maatregel.
Het hoger beroep van appellant en het oordeel van de Afdeling
3. Appellant klaagt in zijn tweede en vijfde grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de maatregel van bewaring rechtmatig heeft voortgeduurd. Appellant voert terecht aan dat de minister de maatregel te laat heeft omgezet op 18 februari 2025. De Afdeling zal dat toelichten.
3.1. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de minister op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 de maatregel van bewaring wel had mogen verlengen, nadat zij met het asielbesluit de asielaanvraag niet-ontvankelijk had verklaard. Artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 vereist namelijk dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft. Na het asielbesluit had appellant echter geen rechtmatig verblijf meer op grond van artikel 8, aanhef en onder h, gelezen in samenhang met artikel 82, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van 19 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4358, onder 11 en 11.1.
3.2. Omdat appellant door het asielbesluit van 15 februari 2025 geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland, is de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring van 7 februari 2025 niet meer van toepassing. Zoals volgt uit onder andere de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869, onder 3, heeft de minister in zo’n geval een termijn van twee dagen om de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. Zoals de minister ook zelf tijdens de zitting bij de rechtbank heeft erkend, heeft zij dit één dag te laat gedaan, namelijk op 18 februari 2025.
3.3. Omdat de minister de maatregel van bewaring te laat heeft omgezet, moet worden beoordeeld vanaf welke dag de maatregel onrechtmatig moet worden geacht. De Afdeling constateert dat er geen eenduidige lijn is binnen de rechtspraak over het moment van onrechtmatigheid van een maatregel van bewaring wanneer de minister een maatregel niet tijdig omzet en daardoor onvoldoende voortvarend handelt. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de lijn te verduidelijken.
3.4. Uitgangspunt is dat een vrijheidsontnemende maatregel alleen rechtmatig voortduurt als en zolang wordt voldaan aan de wettelijke vereisten die aan de betrokken maatregel ten grondslag liggen. Wanneer de minister een maatregel van bewaring binnen twee dagen omzet en dus voldoende voortvarend handelt, wordt aanvaard dat de maatregel niet onrechtmatig is. In dat geval wordt de voortzetting van de bewaring namelijk rechtsgeldig gerechtvaardigd op basis van een andere autonome rechtsgrondslag. Wanneer de minister een maatregel van bewaring echter niet binnen twee dagen omzet en dus onvoldoende voortvarend handelt, is naar het oordeel van de Afdeling de maatregel onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag voor deze maatregel niet meer van toepassing is. Dat de minister een termijn van twee dagen wordt gegund om de maatregel om te zetten, kan dan niet meebrengen dat deze maatregel gedurende die termijn zonder geldige wettelijke grondslag rechtsgeldig is voortgezet.
3.5. Omdat de minister de maatregel van bewaring één dag te laat heeft omgezet, is in het geval van appellant de maatregel onrechtmatig vanaf de dag dat de wettelijke grondslag niet meer van toepassing is. De maatregel is daarom onrechtmatig vanaf 15 februari 2025 tot aan de opheffing van de maatregel op 18 februari 2025.
3.6. De grieven slagen.
4. Wat appellant in zijn overige grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
5. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 15 februari 2025 onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 28 februari 2025 in zaak nr. NL25.7189;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 400,00 over de periode van 15 februari 2025 tot en met 18 februari 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A de Poorter, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025
347-1073
Wettelijk kader
Artikel 8
De vreemdeling heeft in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
[…]
h. in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;
[…]
Artikel 30a
1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien:
[…]
c. een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd;
d. de vreemdeling een opvolgende aanvraag heeft ingediend waaraan door de vreemdeling geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag zijn gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag; of
[…]
Artikel 59
1. Indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert kan, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:
a. geen rechtmatig verblijf heeft;
b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h, niet zijnde een vreemdeling als bedoeld in artikel 59a of 59b.
[…]
Artikel 59b
1. De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g of h, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, kan door Onze Minister in bewaring worden gesteld, indien:
[...]
b. bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, met name indien er sprake is van een risico op onttrekking;
c. de vreemdeling:
1. in bewaring werd gehouden in het kader van een
terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn;
2. reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad; en
3. op redelijke gronden aangenomen kan worden dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen; of
[…]
3. De bewaring krachtens het eerste lid, onderdeel a, b of c, kan worden verlengd met ten hoogste drie maanden indien de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder h.
[…]
Artikel 82
1. De werking van het besluit omtrent een verblijfsvergunning wordt opgeschort totdat de beroepstermijn is verstreken of, indien beroep is ingesteld, op het beroep is beslist.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien:
[…]
b. de aanvraag niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, met
uitzondering van artikel 30a, eerste lid, onderdeel c;
[…]