202502319/1/A2.
Datum uitspraak: 22 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2025 in zaak nr. 23/6696 in het geding tussen:
[appellante]
en
Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).
Openbare zitting gehouden op 22 december 2025 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. C. Kouidar, griffier.
Verschenen:
[appellante] en de CSG, vertegenwoordigd door mr. Y.B. Langerak;
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 11 maart 2025 van de rechtbank Amsterdam.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. [appellante] heeft een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven aangevraagd. Daarbij heeft zij onder verwijzing naar een proces-verbaal van de aangifte bij de politie vermeld dat de ex-partner van haar dochter haar heeft mishandeld, bedreigd met geweld en gestalkt.
2. De CSG heeft de aanvraag afgewezen, omdat er geen objectieve aanwijzingen zijn die de opgave van [appellante] onderbouwen. De politie heeft geen verder onderzoek gedaan naar de aangifte. De verklaring van haar dochter biedt geen objectieve informatie voor de beoordeling van de aanleiding, de toedracht en de omstandigheden. En uit de overgelegde medische stukken volgt evenmin wat de aanleiding is van het geconstateerde letsel. De rechtbank heeft de CSG hierin gevolgd en dat uitgebreid gemotiveerd in de rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.9 van haar uitspraak.
3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.5 tot en met 4.9 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
1120