202407332/1/A3.
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Laren (NH), gemeente Laren,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 7 november 2024 in zaak nr. 23/1461 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Laren.
Openbare zitting gehouden op 24 december 2025 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. G.A. van de Sluis
jurist: mr. R.A. Nieuwenhuijzen
Verschenen:
[appellant];
het college, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Paffen.
Bij besluit van 27 september 2021 heeft het college naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) documenten openbaargemaakt.
Bij besluit van 24 januari 2023 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en nog enkele documenten openbaar gemaakt.
Met de uitspraak van 7 november 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 januari 2023 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven.
Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak, voor zover de rechtsgevolgen van het besluit in stand zijn gelaten.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Gronden:
1. Zoals op de zitting is gebleken richt het hoger beroep zich tegen rechtsoverweging 3 van de uitspraak.
2. De rechtbank heeft ten aanzien van de door [appellant] gewenste uitleg en verklaringen over de gang van zaken in dit dossier opgemerkt dat het doel van de Wob ( inmiddels de Woo) de openbaarmaking van bestaande documenten is. De Wob/Woo verplicht bestuursorganen niet om documenten alsnog op te stellen of verklaringen af te leggen over de gang van zaken rondom bepaalde zaken of over de afwezigheid van documenten. [appellant] ziet dat anders en heeft daar veel over aangevoerd, maar omdat dat buiten de omvang van het geding valt, is de rechtbank daar niet op ingegaan.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 3 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak van 5 december 2022 een eerder besluit van 21 februari 2022 vernietigd omdat de zoekslag onvolledig was. Daarna heeft een nadere zoekslag plaatsgevonden en zijn mede met de inbreng van [appellant] de resultaten daarvan bij besluit van 24 januari 2023 alsnog aan [appellant] ter beschikking gesteld. Daarmee heeft het college zich, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voor wat betreft de toepassing van de Wob/Woo voldoende ingespannen om de verwijderde documenten, voor zover nog aanwezig, alsnog te verkrijgen.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
802-1158