202401367/1/A3.
Datum uitspraak: 24 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
GS Magenta B.V., (hierna: GeenStijl), gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2024 in zaak nr. 24/500 in het geding tussen:
GeenStijl
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Openbare zitting gehouden op 24 december 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. G.A. van de Sluis
jurist: mr. R.A. Nieuwenhuijzen
Verschenen:
De minister, vertegenwoordigd door mr. J. Kennis, advocaat in Den Haag.
Bij uitspraak van 27 februari 2024 heeft de rechtbank het door GeenStijl ingestelde beroep wegens het opnieuw uitblijven van een besluit gegrond verklaard en de minister opgedragen om uiterlijk 31 maart 2024 alsnog een besluit bekend te maken op de aanvraag van GeenStijl, op straffe van een dwangsom van € 1,00 bij overschrijding van die termijn.
Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.
Beslissing:
I. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van de bij GS Magenta B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de minister aan GS Magenta B.V. het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 559,00 vergoedt.
Gronden:
1. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen.
2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft GeenStijl geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is een middel om ervoor te zorgen dat de minister een besluit neemt, in dit geval op de aanvraag van GeenStijl. De vaststelling van de termijn en de dwangsom door de rechtbank, waartegen het hoger beroep zich richt, dient datzelfde doel. Doordat de minister bij besluit van 29 maart 2024 op de aanvraag van GeenStijl heeft beslist, is dat doel inmiddels bereikt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5388, onder 5.1. GeenStijl heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toch belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De Afdeling zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren.
3. De minister heeft hangende het hoger beroep over het niet tijdig nemen van een besluit, bij besluit van 29 maart 2024 alsnog op de aanvraag van GeenStijl beslist. Geenstijl heeft haar hoger beroep gehandhaafd. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423) ziet de Afdeling daarom aanleiding om de minister te veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten die GeenStijl heeft gemaakt in verband met de behandeling van het hoger beroep. Omdat GeenStijl uitdrukkelijk heeft verklaard niet op te willen komen tegen het besluit van 29 maart 2024, moet het bij de Afdeling ontstane beroep van rechtswege worden geacht te zijn ingetrokken.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
802-1158