ECLI:NL:RVS:2025:6453

ECLI:NL:RVS:2025:6453

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-07-2025
Datum publicatie 30-01-2026
Zaaknummer 202306246/4/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Bij besluit van 11 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen de dak op- en aanbouw op de [locatie A] in Zaandam afgewezen. [verzoekers] wonen aan de [locatie B] in Zaandam. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen het perceel aan de [locatie A] in Zaandam. Het college heeft dat verzoek afgewezen en het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [verzoekers] vervolgens gegrond verklaard vanwege het verkeerd opvatten van het verzoek door het college. Het college is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [verzoekers] hebben vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die strekt tot schorsing het besluit 19 mei 2025.

Uitspraak

202306246/4/R1.

Datum uitspraak: 11 juli 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:

[verzoekers], wonend in Zaandam, gemeente Zaanstad,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 augustus 2023, in zaak nr. 22/6283, in het geding tussen:

[verzoekers]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2022 heeft het college het verzoek van [verzoekers] om handhavend op te treden tegen de dak op- en aanbouw op de [locatie A] in Zaandam afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2022 heeft het college het door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2022 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.

Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoekers] hebben nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 19 mei 2025 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2023 opnieuw een besluit op bezwaar genomen, waarbij het bezwaar van [verzoekers] opnieuw ongegrond is verklaard.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het hoger beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

3. [verzoekers] wonen aan de [locatie B] in Zaandam. Zij hebben het college verzocht om handhavend op te treden tegen het perceel aan de [locatie A] in Zaandam. Het college heeft dat verzoek afgewezen en het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [verzoekers] vervolgens gegrond verklaard vanwege het verkeerd opvatten van het verzoek door het college. Het college is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [verzoekers] hebben vervolgens hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Tijdens de hogerberoepsprocedure is door het college gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank doordat het college op 19 mei 2025 een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen. In het besluit heeft het college aangegeven de omvang van het verzoek om handhaving op te vatten als bedoeld te zijn gericht tot het niet verwijderde gedeelte van een in 2018 geplaatste dakopbouw en de deur in de nadien geplaatste dakkapel op het perceel [locatie A]. Het college heeft vervolgens de bezwaren van [verzoekers] tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek ongegrond verklaard en het besluit van 11 mei 2022, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Wat betreft het niet verwijderde gedeelte van de geplaatste dakopbouw bestond er volgens het college concreet zicht op legalisatie. De deur in de nadien geplaatste dakkapel is verwijderd, zodat er op dat punt geen overtreding meer was. Het besluit van 19 mei 2025 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

4. [verzoekers] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die strekt tot schorsing het besluit 19 mei 2025. Zij hebben tevens verzocht om een door het college op 21 mei 2025 verleende omgevingsvergunning voor het niet verwijderde gedeelte van de dakopbouw te schorsen.

4.1. Het besluit van 21 mei 2025 betreft een door het college verleende omgevingsvergunning voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit. Het gaat daarbij om de bouw van een bouwwerk (vergunning ruimtelijke aspecten bouwwerk) op het perceel aan de [locatie A]. Het verlenen van de omgevingsvergunning betreft de aanwending van een andere bevoegdheid dan de bevoegdheid van het college om te beslissen op een verzoek om handhaving, zoals hier aan de orde is. Er doet zich door het nemen van het besluit van 21 mei 2025 geen situatie voor waarin het college bij nader besluit door intrekking, wijziging of vervanging, met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid en op dezelfde feitelijke grondslag, van een eerder genomen besluit terugkomt. Dit betekent dat het besluit van 21 mei 2025 geen besluit is als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en dat dit besluit niet van rechtswege geacht wordt onderwerp te zijn van dit geding.

Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het besluit mee te nemen in de beantwoording van de vraag of er aanleiding is om het besluit van 19 mei 2025 te schorsen.

4.2. Een voorlopige voorziening is een tijdelijke maatregel, die kan worden getroffen in afwachting van de beslissing op een ingediend (hoger) beroep. Vanwege het besluit van 21 mei 2025 is het niet verwijderde gedeelte van dakopbouw op het perceel aan de [locatie A] gelegaliseerd. Dat besluit is op dit moment van kracht. Dat betekent dat het college daartegen nu niet kan handhaven. Gelet daarop is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

4.3. Bovendien zou de enkele schorsing van het besluit van 19 mei 2025 niet het door [verzoekers] beoogde resultaat opleveren. Daarvoor is een daadwerkelijke last onder dwangsom of bestuursdwang noodzakelijk. Het treffen van een dergelijke maatregel als voorlopige voorziening is onder de zich voordoende omstandigheden echter te verstrekkend.

4.4. Het verzoek om schorsing van het besluit van 19 mei 2025 wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Besselink

voorzieningenrechter

w.g. Van Driel Kluit

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 juli 2025

703-1089

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?