ECLI:NL:RVS:2025:656

ECLI:NL:RVS:2025:656, Raad van State, 19-02-2025, 202205399/1/R2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 19-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202205399/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2022:4216
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0024779 BWBR0027464

Samenvatting

Bij besluit van 9 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen geweigerd om [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een stalruimte en een africhtings- en trainingsruimte voor paarden op een perceel aan de [locatie] te Wagenberg. [appellante] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een stalruimte en een africhting- en trainingsruimte om paarden te fokken, opfokken, africhten en trainen. Het college heeft die aanvraag afgewezen omdat er ter plaatse al een agrarisch bedrijf is gevestigd en dit niet past binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Veegplan 1’ en vestiging van een tweede agrarisch bedrijf in strijd met de goede ruimtelijke ordening is. [appellante] stelt zich op het standpunt dat er geen strijd met het bestemmingsplan is, zodat de omgevingsvergunning moet worden verleend. In hoger beroep betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zijn aanvraag niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan.

Uitspraak

202205399/1/R2.

Datum uitspraak: 19 februari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd in [plaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West­-Brabant van 28 juli 2022 in zaak nr. 21/579 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2020 heeft het college geweigerd om [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het oprichten van een stalruimte en een africhtings- en trainingsruimte voor paarden op een perceel aan de [locatie] te Wagenberg.

Bij besluit van 5 januari 2021 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 30 maart 2022 heeft de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen in de gelegenheid gesteld een verklaring van geen bedenkingen te vragen aan de gemeenteraad.

Bij besluit van 12 mei 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Drimmelen de verklaring van geen bedenkingen (hierna: vvgb) niet verleend.

Bij uitspraak van 28 juli 2022 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 oktober 2024, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, vertegenwoordigd door mr. E. Falan, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 13 maart 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellante] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een stalruimte en een africhting- en trainingsruimte om paarden te fokken, opfokken, africhten en trainen. Het college heeft die aanvraag afgewezen omdat er ter plaatse al een agrarisch bedrijf is gevestigd en dit niet past binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Veegplan 1’ en vestiging van een tweede agrarisch bedrijf in strijd met de goede ruimtelijke ordening is. [appellante] stelt zich op het standpunt dat er geen strijd met het bestemmingsplan is, zodat de omgevingsvergunning moet worden verleend.

Toetsingskader

3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Uitspraak van de rechtbank

4. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:718), dat over hetzelfde perceel [locatie] gaat. Daarin is overwogen dat binnen het bouwvlak maar één agrarisch bedrijf is toegestaan en er feitelijk reeds een agrarisch bedrijf is opgericht en dat bedrijf op enig moment weer in gebruik kan worden genomen. Na de tussenuitspraak heeft de raad aangegeven geen vvgb af te geven voor afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een tweede agrarisch bedrijf. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan.

Hoger beroep

5. In hoger beroep betoogt [appellante] dat de rechtbank heeft miskend dat zijn aanvraag niet in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Hiertoe voert hij aan dat de andere op het bouwvlak gevestigde agrarische onderneming niet meer actief is, zodat zijn onderneming daar opgericht kan worden. Daarnaast betoogt hij dat het oprichten van een paardenfokkerij daar is toegestaan en in overeenstemming is met de bestemming "Agrarisch 2". Tot slot betoogt hij dat de vvgb op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Door de raad te vragen de verklaring niet te verlenen, heeft het college zich namelijk onvoldoende objectief opgesteld en daarmee de besluitvorming van de raad beïnvloed.

Beoordeling

6. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn vrijwel geheel een herhaling van wat in beroep is aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank in de tussenuitspraak en de einduitspraak, en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

6.1. Zij voegt daaraan nog toe dat de andere agrarische onderneming ook reeds ten tijde van voormelde uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2020 was uitgeschreven uit de Kamer van Koophandel en niet meer actief was. Die omstandigheden maken dan ook niet dat de rechtbank ten onrechte heeft verwezen naar het oordeel van de Afdeling in die uitspraak en heeft geconcludeerd dat reeds een agrarische onderneming op het bouwvlak is gevestigd en weer in gebruik kan worden genomen. Nu het bouwplan van [appellante] ziet op het realiseren van een tweede agrarische onderneming binnen het bouwvlak, is de aanvraag in strijd met het bestemmingsplan.

6.2. De omstandigheid dat het college de beslissing om een verklaring van geen bedenkingen te vragen heeft voorbereid, maakt niet dat geoordeeld moet worden dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest (zie de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2205). Zoals ook op zitting door het college is toegelicht, heeft het college ter voorbereiding van het besluit, de van belang zijnde informatie en beleidsmatige en praktische adviezen aan de raad verstrekt. Hieruit volgt niet dat het college de raad heeft gestuurd in zijn besluit om de vvgb niet te verstrekken. Dat besluit heeft de raad zelfstandig genomen.

Conclusie

7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

Proceskosten

8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Duyster

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2025

638-664

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?