202406898/1/V3.
Datum uitspraak: 6 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 november 2024 in zaak nr. NL24.41298 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2024 heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 7 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat in Sittard, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank het verdedigingsbeginsel heeft geschonden. De rechtbank heeft hem namelijk op 4 november 2024 medegedeeld dat de zitting op 5 november 2024 niet zou doorgaan. Uit haar uitspraak blijkt dat de rechtbank de zaak op die datum wel inhoudelijk op zitting heeft behandeld en dat de minister daar vertegenwoordigd was. De rechtbank heeft de vreemdeling niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op het standpunt van de minister. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:991, onder 4 tot en met 4.2, is het recht om te worden gehoord een fundamenteel onderdeel van de mogelijkheden die de vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Gelet hierop komt de Afdeling tot het oordeel dat sprake is van een schending van het verdedigingsbeginsel en in het bijzonder van het beginsel van hoor en wederhoor. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt artikel (8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 november 2024 in zaak nr. NL24.41298;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. de Poorter
voorzitter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2025
47-1137