202405662/1/V6.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 juli 2024 in zaak nr. 23/6884 in het geding tussen:
[appellante]
en
de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (de raad van bestuur).
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2023 heeft de raad van bestuur een verzoek van [appellante] om herziening van een besluit van 20 augustus 2021, afgewezen.
Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft de raad van bestuur het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante], vertegenwoordigd door mr. M. Flipse, advocaat in Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De raad van bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 januari 2026, waar de raad van bestuur, vertegenwoordigd door mr. K. Verbeek, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont in Suriname en ontvangt sinds 1 juni 2013 een remigratie-uitkering en een tegemoetkoming ziektekostenverzekering. Zij zat vanaf 4 oktober 2020 tot 2 augustus 2022 in detentie. Omdat zij niet op tijd heeft doorgegeven dat zij gedetineerd was, heeft de raad van bestuur haar bij besluit van 20 augustus 2021 een boete opgelegd van € 1.486,48. De raad van bestuur vordert dit bedrag in door maandelijks een bedrag in te houden op de remigratie-uitkering van [appellante], die vanaf september 2022 - na de detentie - weer is ingegaan. [appellante] heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.1. [appellante] heeft later wel in een verzoek om herziening de raad van bestuur verzocht om de hoogte van de opgelegde boete opnieuw te beoordelen. De raad van bestuur heeft zich echter op het standpunt gesteld dat [appellante] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd die tot matiging van het boetebedrag moeten leiden. De raad van bestuur heeft wel de invorderingstermijn van twee jaren verlengd naar drie jaren. In juni 2023 heeft de raad van bestuur daarom een bedrag van € 111,48 per maand op de remigratie-uitkering ingehouden. Vanaf juli 2023 is dat bedrag € 112,00 geworden.
1.2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Hoger beroep en beoordeling
2. [appellante] betoogt in haar enige hogerberoepsgrond dat de maandelijkse terugvordering te hoog is en dat zij van haar resterende uitkering niet kan rondkomen. Zij wijst daarbij op de hoge huurkosten en andere dagelijkse kosten die zij moet maken. Doordat [appellante] en haar echtgenoot naar eigen zeggen maandelijks geld tekort komen, ontstaan er nieuwe schulden. De rechtbank heeft volgens haar niet onderkend dat een onverkorte toepassing van de wettelijke bepalingen over de vaststelling van de beslagvrije voet van € 348,75 zo tot een kennelijk onevenredige hardheid als bedoeld in artikel 475fa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) leidt.
2.1. Op de zitting heeft de raad van bestuur toegelicht dat de bepalingen over de berekening van de beslagvrije voet bij terugvordering van onverschuldigde betalingen en de onder 2 genoemde hardheidsclausule uit het Rv nader zijn uitgewerkt in de Regeling tenuitvoerlegging bestuurlijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen. De raad van bestuur past deze regels op grond van eigen beleid ook toe in zaken over de Remigratiewet waarin hij het bevoegde bestuursorgaan is.
2.2. De berekening van de boete is niet in geschil. [appellante] heeft het oordeel van de rechtbank dat partijen het eens zijn dat er geen onmiskenbaar onjuiste boete is opgelegd, niet bestreden. Ook heeft zij het oordeel van de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn voor een onjuiste berekening van de beslagvrije voet, niet bestreden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft gesteld voor het oordeel dat het besluit van 20 augustus 2021 zou moeten worden herzien. Zij heeft bij dit oordeel terecht betrokken dat [appellante] niet inzichtelijk heeft gemaakt dat het voor haar niet mogelijk of nagenoeg onmogelijk is om in haar levensonderhoud te voorzien. [appellante] heeft, ook met wat zij in hoger beroep heeft aangevoerd, geen inzicht gegeven in haar lasten en uitgaven. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de financiële situatie waarin [appellante] verkeert, niet kan worden beoordeeld. Alleen al daarom komt de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule in artikel 475fa Rv.
Conclusie
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De raad van bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Nouta, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nouta
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
922
BIJLAGE
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Artikel 475fa
Indien de toepassing van de artikelen 475da tot en met 475e leidt tot een kennelijk onevenredige hardheid als gevolg van een omstandigheid waarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de beslagvrije voet, kan de kantonrechter op verzoek van de geëxecuteerde de beslagvrije voet voor een door hem te bepalen termijn verhogen.