202403409/1/R1.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Den Haag (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], beiden wonend in Den Haag (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend in Den Haag (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),
4. [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], beiden wonend in Den Haag (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 4]),
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college het "Definitief plaatsingsplan gewijzigde locatie ondergrondse restafvalcontainers Statenkwartier III (buurt 7), Scheveningen, Den Haag" vastgesteld. Daarbij is de locatie ter hoogte van de Van Aerssenstraat 17/19 aangewezen voor de plaatsing van twee ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's).
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant sub 4], [appellante sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 november 2025, waar [appellant sub 1] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. F. Mulder, [appellant sub 4A] en [appellante sub 4B], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], bijgestaan door mr. J.S. Maas, advocaat in Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. F. van Ommeren en E. Loopik, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Op 18 oktober 2022 heeft het college het "Definitief plaatsingsplan gewijzigde en aanvullende locaties ondergrondse restafvalcontainers voor de wijk Statenkwartier II (buurt 7), Scheveningen, Den Haag" vastgesteld. Daarbij is onder andere de locatie 07-61B ter hoogte van de Van Aerssenstraat 15 (hierna: locatie 07-61B) aangewezen voor de plaatsing van twee ORAC’s. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] geen rechtsmiddelen aangewend. Het besluit is onherroepelijk.
Bij besluit van 16 april 2024 heeft het college locatie 07-61B gewijzigd en de locatie 07-61D ter hoogte van de Van Aerssenstraat 17/19 (hierna: aangewezen locatie) aangewezen voor het plaatsen van de ORAC’s.
[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] wonen allen in de Van Aerssenstraat in de directe nabijheid van de aangewezen locatie. Zij vinden de aangewezen locatie om verschillende redenen ongeschikt. Volgens [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn de eerder aangewezen locatie 07-61B, of andere locaties in de Van Aerssenstraat geschikter.
Beoordelingskader
2. Bij de keuze van een locatie voor een ORAC moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC.
3. In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor ORAC’s. De keuze van het college om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s ligt niet ter beoordeling voor. Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers-) hinder die gepaard gaat met het legen daarvan. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van een ORAC en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464. De Afdeling zal daarom alleen beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.
4. Bij het aanwijzen van een locatie voor een ORAC hanteert het college de randvoorwaarden die zijn neergelegd in het "Voorstel van het college inzake 5e Programma Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC's): 900 extra (RIS297091)" (hierna: randvoorwaarden). De randvoorwaarden zijn:
- Loopafstand: Als loopafstand van perceel tot de container wordt bij het ontwerp 75 m aangehouden, dit kan oplopen tot maximaal 125 m. Wanneer er binnen de 125 m geen locatie beschikbaar is kan het college gemotiveerd besluiten hiervan af te wijken.
- Parkeren: Het aantal parkeerplaatsen dat vervalt wordt tot een minimum beperkt.
- Bomen: Zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.
- Ondergrondse infrastructuur: Zo min mogelijk omleggen van aanwezige kabels, leidingen en riolering.
- Overige obstakels: Zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen.
- Bereikbaarheid wagen: De inzamelwagen moet voldoende ruimte hebben om de ORAC’s te kunnen legen.
- Veiligheid: Bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden.
5. De Afdeling heeft de randvoorwaarde over de loopafstand uitgelegd in haar uitspraak van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1680, onder 7.1. Deze randvoorwaarde houdt naar het oordeel van de Afdeling in dat alleen van de maximale loopafstand van 125 m mag worden afgeweken, als er binnen 125 m in het licht van de overige voorwaarden geen locaties geschikt zijn voor het plaatsen van een ORAC.
Beantwoording zienswijzen
6. [appellant sub 1] en [appellant sub 4] betogen dat het college in het besluit onvoldoende is ingegaan op hun zienswijzen. Het college heeft de door hen aangedragen alternatieve locaties, waaronder locatie 07-61B, afgewezen zonder deugdelijke onderbouwing. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 4] is het college slechts in algemene bewoordingen ingegaan op hun argumenten waarom de aangewezen locatie niet geschikt is, onder meer vanwege de parkeerdruk. Ook is het college niet ingegaan op de voorgeschiedenis van het besluit.
6.1. Het besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Niet gebleken is dat het college niet op de juiste wijze toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in die afdeling. Het ontwerpbesluit is gedurende zes weken ter inzage gelegd en er is gelegenheid geboden tot het naar voren brengen van zienswijzen. Het college heeft in de van het besluit deel uitmakende "Nota van Antwoord Plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers in het stadsdeel Scheveningen, buurt 7: Statenkwartier" op de zienswijzen gereageerd. Daarbij is het college ook op de verschillende aangedragen alternatieve locaties ingegaan. De Afdeling zal hierna in de overwegingen 11.1 tot en met 11.6 inhoudelijk beoordelen of het college aan de eerder aangewezen locatie 07-61B had moeten vasthouden, of voor een van de andere aangedragen alternatieve locaties had moeten kiezen.
Dat het college niet op alle argumenten in de zienswijzen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid of niet deugdelijk is gemotiveerd. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Over de eerdere besluitvorming over locatie 07-61B overweegt de Afdeling dat het in deze beroepsprocedure in de eerste plaats gaat over de in het besluit van 16 april 2024 aangewezen locatie. De Afdeling ziet gezien het vorenstaande geen aanleiding om te oordelen dat het college onvoldoende op de zienswijzen is ingegaan.
De betogen slagen niet.
Geschiktheid - parkeerdruk
7. [appellant sub 3], [appellant sub 1] en [appellant sub 4] betogen dat de aangewezen locatie ongeschikt is voor de plaatsing van de ORAC’s, omdat in het middengedeelte van de straat de parkeerdruk hoog is. Door het plaatsen van ORAC’s gaat een parkeerplaats verloren, waardoor de parkeerdruk verder wordt verhoogd. Volgens [appellant sub 3] is de aangewezen locatie vanwege het verlies van een parkeerplaats in strijd met de randvoorwaarden.
7.1. Het college stelt zich op het standpunt dat in de "Parkeerstrategie Den Haag 2021-2030" (hierna: Parkeerstrategie) het beleid is neergelegd dat bij de plaatsing van ORAC’s geen doorslaggevend gewicht hoeft te worden toegekend aan het belang van het niet toenemen van de parkeerdruk.
7.2. De Afdeling stelt vast dat in de Parkeerstrategie staat dat parkeerdruk in de buurt geen beletsel zal zijn voor het implementeren van belangrijke ontwikkelingen, zoals het plaatsen van ORAC’s. Mocht zo’n ontwikkeling leiden tot een ongewenste stijging van de parkeerdruk, dan kan dit effect teniet worden gedaan door het aantal uit te geven parkeervergunningen te verlagen. De Afdeling begrijpt het college aldus dat het verlies van een parkeerplaats aanvaardbaar wordt geacht, gezien het beleid dat in de Parkeerstrategie is neergelegd. Dit beleid komt de Afdeling niet onredelijk voor. Gelet hierop heeft het college geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan het belang bij het voorkomen van een toename van de parkeerdruk door het vervallen van een parkeerplaats.
De betogen slagen niet.
Geschiktheid - (verkeers)veiligheid
8. [appellant sub 3] betoogt dat de aangewezen locatie ongeschikt is, omdat de ORAC’s tot een verkeersonveilige situatie zullen leiden. [appellant sub 3] wijst erop dat het middengedeelte van de straat erg smal is, waardoor auto’s en fietsers elkaar moeilijk kunnen passeren. Omdat het inzamelvoertuig onvoldoende ruimte zal hebben, vreest [appellant sub 3] dat de ORAC’s niet op een veilige manier geleegd kunnen worden. Dit kan onder andere leiden tot beschadiging aan geparkeerde auto’s. De aangewezen locatie voldoet volgens [appellant sub 3] niet aan de randvoorwaarde dat de inzamelwagen voldoende ruimte moet hebben om de ORAC’s te kunnen legen.
8.1. De Afdeling is van oordeel dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s uit het oogpunt van verkeersveiligheid. Het college heeft daarbij het deskundigenadvies van het "Vooroverleg over Verkeerszaken" (hierna: vooroverleg) mogen betrekken. Het vooroverleg, dat plannen op verkeersveiligheid en doorstroming beoordeelt, heeft positief geadviseerd. Ook heeft het college het ontwerpplaatsingsplan voorgelegd aan de Haagse Milieu Services (hierna: HMS), die de locatie beoordeelt op bereikbaarheid en veiligheid. HMS ziet op de aangewezen locatie geen belemmeringen voor deze aspecten. Gelet op de genoemde adviezen heeft het college ervan uit mogen gaan dat de ORAC's op de aangewezen locatie niet zullen leiden tot verkeersonveilige situaties. De Afdeling acht hierbij ook van belang dat het legen van de ORAC’s slechts korte tijd duurt en dat de maximum snelheid in de Van Aerssenstraat 30 km/u is. De Afdeling ziet, gelet op de genoemde deskundigenadviezen, ook geen aanleiding voor het oordeel dat op de aangewezen locatie niet wordt voldaan aan de door [appellant sub 3] genoemde randvoorwaarde.
Het betoog slaagt niet.
Geschiktheid - plaatsing voor woningen en hinder
9. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de aangewezen locatie ongeschikt is, omdat de ORAC’s dicht voor de gevels van hun woningen worden geplaatst. Het college heeft ten onrechte niet gekozen voor plaatsing van de ORAC’s voor een blinde muur. Volgens [appellant sub 1] zullen de ORAC’s de plaatsing en het gebruik van een verhuislift verhinderen. [appellante sub 2] vreest dat de ORAC’s op de aangewezen locatie hinder in de vorm van geur- en geluidsoverlast zullen veroorzaken. Volgens [appellant sub 3] zullen de ORAC’s de kwaliteit van leven en gezondheid van bewoners nadelig beïnvloeden en wordt het straatbeeld aangetast.
9.1. In de omstandigheid dat de ORAC’s voor de woningen van [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] worden geplaatst ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie niet geschikt heeft mogen achten. In de randvoorwaarden staat niet dat een locatie voor ORAC’s niet in het zicht mag liggen vanuit een woning, of dat ORAC’s voor een blinde muur moeten worden geplaatst. Het college heeft toegelicht dat het waar mogelijk probeert om ORAC’s voor een blinde muur te plaatsen, maar dat een locatie in de eerste plaats moet voldoen aan de randvoorwaarden zoals weergegeven in overweging 4. Dat is het geval. Het college heeft op de zitting toegelicht dat bij het plaatsen van ORAC’s rekening wordt gehouden met een afstand van 1,50 m tussen de gevel van een woning en de ORAC’s, zodat de doorgang voor rolstoelgebruikers en kinderwagens is gewaarborgd. De Afdeling heeft daarom geen reden om aan te nemen dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de ruimte voor een verhuislift, nog daargelaten dat het gebruik daarvan slechts incidenteel zal voorkomen. Verder heeft het college toegelicht dat de ORAC's grotendeels ondergronds worden geplaatst en dat het bovengrondse gedeelte slechts 1 m hoog is. De Afdeling ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het straatbeeld in onevenredige mate zal worden aangetast door de plaatsing van de ORAC’s.
9.2. Hoewel de Afdeling het niet uitgesloten acht dat [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] enige hinder van de nabij hun woningen geplaatste ORAC’s zullen ondervinden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gestelde geluid- en geurhinder reden voor het college hoefde te zijn om de aangewezen locatie niet geschikt te achten. Zoals hiervoor in overweging 3 is overwogen is een zekere mate van geur- en geluidhinder inherent aan het gekozen inzamelsysteem en hoeven deze gevolgen onder normale omstandigheden niet aan de aanwijzing in de weg te staan. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college heeft toegelicht dat in Den Haag al langer ORAC's worden gebruikt en dat er nauwelijks klachten over geuroverlast zijn. Het college wijst er in dit verband op dat de ORAC's uit twee halve schalen bestaan die tegen elkaar indraaien waardoor geur wordt tegengegaan. Omdat de ORAC’s zijn voorzien van rubberen dempers zal ook van geluidsoverlast niet of nauwelijks sprake zijn. Ook heeft het college toegelicht dat het legen van de ORAC’s plaatsvindt op werkdagen, en slechts 5 tot 10 minuten duurt.
De betogen slagen niet.
Conclusie over de geschiktheid van de locatie
10. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s.
Alternatieve locaties
11. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat er geschiktere alternatieve locaties zijn. [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 4] wijzen op de eerder aangewezen locatie 07-61B. Deze locatie vinden zij geschikter, omdat wordt voldaan aan de randvoorwaarde over de maximale loopafstand. Ook worden de ORAC’s daar tegenover een blinde muur geplaatst. Het college heeft volgens [appellant sub 1], [appellante sub 2] en [appellant sub 4] onvoldoende onderbouwd waarom verplaatsing van die locatie nodig is. Het college heeft de loopafstanden van de locatie onjuist en niet consistent berekend, en is uitgegaan van onlogische looplijnen. [appellant sub 4] en [appellante sub 2] voeren verder aan dat het college op de looplijnenkaart geen looproute naar de bestaande locatie in de Prins Mauritslaan (07-60) heeft ingetekend, terwijl de loopafstand van die locatie naar nummers 66 en 68 minder dan 125 m is.
[appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] dragen nog andere alternatieve locaties in de Van Aerssenstraat aan. Zij voeren aan dat verschillende locaties kunnen worden gecombineerd, zodat aan de loopafstand wordt voldaan. [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] vinden de aangedragen locaties geschikter, omdat de ORAC’s daar voor een blinde muur komen te staan. Zij noemen de locatie ter hoogte van nummers 54 en 58 (07-61E), welke locatie volgens [appellant sub 4] en [appellante sub 2] in combinatie met de bestaande locatie in de Van Dorpstraat (07-70) aan de loopafstand voldoet. Verder noemen [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] een locatie ter hoogte van nummers 29 en 31, en locaties aan het begin en einde van dit gedeelte van de Van Aerssenstraat (07-61G en 07-61F). Zij stellen dat op de aangedragen locaties aan de randvoorwaarde over de loopafstand wordt voldaan. Het college heeft volgens [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] niet inzichtelijk gemaakt wat de precieze loopafstanden van de aangedragen alternatieve locaties zijn, en hoe het college de loopafstanden heeft gemeten.
11.1. In overweging 10 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locaties. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.
11.2. Het college stelt zich op het standpunt dat locatie 07-61B niet geschikt is, omdat deze locatie niet voldoet aan de randvoorwaarde over de maximale loopafstand van 125 m. Het college heeft toegelicht dat het na vaststelling van het plaatsingsplan op 18 oktober 2022 heeft geconstateerd dat abusievelijk geen rekening was gehouden met de loopafstand van de bewoners van de even zijde in dit gedeelte van de Van Aerssenstraat. In aanmerking genomen dat alleen van het criterium over de loopafstand kan worden afgeweken als er binnen 125 m geen andere geschikte locaties zijn, zag het college zich genoodzaakt om de nieuwe locatie aan te wijzen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college daartoe niet heeft kunnen besluiten.
11.3. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij locatie 07-61B de maximale loopafstand van 125 m wordt overschreden heeft het college een actuele looplijnenkaart van deze locatie overgelegd. Hierop zijn aan beide zijden van de Van Aerssenstraat looplijnen ingetekend. Zoals de Afdeling eerder over het berekenen van de loopafstand heeft geoordeeld in haar uitspraak van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1621, onder 6.3, acht zij het niet onredelijk dat het college een zekere mate van abstractie aanhoudt en daarbij bijvoorbeeld kleinere en/of regelmatig wisselende obstakels buiten beschouwing laat. Ook acht de Afdeling het niet onredelijk dat het college niet per definitie uitgaat van de meest ideale looplijn. Het college zal niet van de kortste, maar eerder van de veiligste looproute uitgaan. De Afdeling acht het met name van belang dat het college voor de bepaling van de loopafstanden een consistente wijze van meten toepast. Het college heeft toegelicht dat het een vaste werkwijze hanteert bij het meten van de loopafstanden. Het college tekent de loopafstand in op een kaart en houdt hierbij rekening met grote vaste obstakels, waarbij de looplijn vanaf een punt vóór het midden van het perceel tot aan de ORAC wordt getekend. De looplijnen zijn volgens het college altijd een benadering van de werkelijke loopafstand, omdat omstandigheden op straat regelmatig veranderen, zoals geparkeerde auto's. Uit deze toelichting van het college volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de werkwijze van het college aan het gehanteerde uitgangspunt voldoet, zodat het college van de actuele looplijnenkaart heeft mogen uitgaan.
11.4. De Afdeling stelt vast dat volgens de looplijnenkaart vanaf locatie 07-61B de maximale loopafstand 135,57 m is tot aan het midden van nummer 66. Op de looplijnenkaart ligt de 125 m grens tussen nummers 62 en 64. De loopafstand van locatie 07-56 tot aan nummer 66 bedraagt volgens de looplijnenkaart 126,469 m. De 125 m grens vanaf deze locatie ligt ter hoogte van het midden van nummer 68. Dit leidt de Afdeling tot de conclusie dat bij nummers 64 en 66 niet aan de loopafstand van 125 m wordt voldaan. Voor zover de berekeningen van de loopafstanden op de looplijnenkaarten van locatie 07-61B en een andere aangedragen alternatieve locatie enkele onderlinge verschillen laten zien, zoals [appellant sub 4] en [appellante sub 2] naar voren hebben gebracht, leidt dit niet tot een ander oordeel. De verschillen zijn zeer beperkt en de loopafstand wordt in beide gevallen overschreden. Over locatie 07-60 heeft het college in zijn aanvullend verweerschrift toegelicht dat op de looplijnenkaart alleen die looplijnen worden ingetekend waarmee de dichtstbijzijnde ORAC wordt bereikt. Het college heeft aan de hand van een uitsnede van Google Maps toegelicht dat de afstand van locatie 07-60 naar nummer 68 ongeveer 135 m is. De Afdeling stelt vast dat de op deze uitsnede getekende looplijn nauwelijks afwijkt van de op de looplijnenkaart getekende looplijnen. Omdat het om een ruime overschrijding van de loopafstand gaat, is de Afdeling van oordeel dat het college toereikend heeft onderbouwd dat de loopafstand van nummer 68 naar locatie 07-60 meer dan 125 m is.
Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat bij locatie 07-61B niet wordt voldaan aan de maximale loopafstand van 125 m. Het college heeft voldoende onderbouwd waarom het niet heeft kunnen vasthouden aan die eerder aangewezen locatie. Dat het slechts om een paar huishoudens gaat, leidt niet tot een ander oordeel. Ook dan is immers de conclusie dat locatie 07-61B niet geschikter is dan de aangewezen locatie die het college geschikt heeft mogen achten.
11.5. De andere aangedragen alternatieve locaties zijn door het college eveneens niet geschikt bevonden, omdat op die locaties niet wordt voldaan aan de randvoorwaarde over de maximale loopafstand. Het college heeft de loopafstanden van de aangedragen alternatieve locaties uitgewerkt en berekend met actuele looplijnkaarten die bij het verweerschrift zijn gevoegd. Anders dan [appellant sub 4] en [appellante sub 2], stelt de Afdeling op basis van de looplijnenkaart van de aangedragen locatie 07-61E vast dat bij die locatie de loopafstand van huishoudens ter hoogte van nummer 16 meer dan 125 m zal zijn. Dit geldt ook voor de loopafstand naar de door [appellant sub 4] en [appellante sub 2] genoemde locatie 07-70. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college de loopafstanden niet juist, of niet consistent heeft berekend, of dat het college van niet voor de hand liggende looproutes is uitgegaan. De Afdeling verwijst naar wat zij hiervoor in overweging 11.3 over het meten van de loopafstanden heeft overwogen.
Over de aangedragen mogelijkheid van het combineren van meerdere locaties in de Van Aerssenstraat heeft het college toegelicht dat het onwenselijk is om meer ORAC's te plaatsen dan noodzakelijk, omdat dit extra gemeenschapskosten met zich brengt en de infrastructuur in de stad daardoor onnodig wordt belast. De Afdeling acht verder niet uitgesloten dat het plaatsen van ORAC’s op meerdere locaties zal leiden tot strijd met de randvoorwaarden, bijvoorbeeld over ondergrondse infrastructuur en overige obstakels. Dit standpunt van het college komt de Afdeling dan ook niet onredelijk voor.
11.6. De Afdeling is gezien het vorenstaande van oordeel dat het college toereikend heeft gemotiveerd dat de aangedragen alternatieve locaties niet geschikt zijn, omdat de maximale loopafstand wordt overschreden. Voor zover [appellante sub 2] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd dat het college in eerdere gevallen wel van de maximale loopafstand is afgeweken, overweegt de Afdeling dat het college gemotiveerd van de randvoorwaarde over de loopafstand kan afwijken wanneer er binnen 125 m geen geschikte locatie is. Daarvan is in dit geval geen sprake, gezien de geschiktheid van de aangewezen locatie.
Omdat de conclusie is dat de aangedragen alternatieve locaties niet geschikt zijn, komt de Afdeling niet toe aan de vraag of die locaties geschikter zijn dan de aangewezen locatie omdat de ORAC’s daar voor een blinde muur worden geplaatst.
De betogen slagen niet.
Conclusie
12. De beroepen zijn ongegrond.
13. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.C. Duits, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Duits
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1093