202501489/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Tilburg,
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (de rechtbank) van 3 maart 2025 in zaken nrs. 25/481 en 25/482 in het geding tussen:
[appellante]
en
de burgemeester van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2024 heeft de burgemeester een last onder bestuursdwang opgelegd strekkende tot sluiting van de woning aan de [locatie] in Tilburg met ingang van 22 augustus 2024 voor de duur van één maand.
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B. Çiçek, advocaat in Breda, en de burgemeester van Tilburg, vertegenwoordigd door mr. B. van den Broek, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] woont in de woning aan de [locatie] in Tilburg, die zij huurt van een woningcorporatie. Op 3 juli 2023 is een van haar kinderen door de politie in de woning aangehouden als verdachte in een opsporingsonderzoek naar een criminele organisatie met een drugsbezorgservice in Tilburg en omstreken. Daarbij zijn in de woning onder andere 88 gripzakjes met in totaal 108,46 gram cocaïne en € 16.300,00 aan bankbiljetten aangetroffen. Hierop heeft de burgemeester besloten de woning voor de duur van één maand te sluiten. Het bezwaar is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Op 11 maart 2025 is de sluiting van de woning geëffectueerd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de politie op 3 juli 2023 een grote hoeveelheid harddrugs in de woning heeft aangetroffen. Ook is niet in geschil dat de burgemeester in beginsel bevoegd is de woning te sluiten. Volgens de rechtbank vervulde de woning een belangrijke rol in het criminele samenwerkingsverband. Ondanks de ruime periode tussen de doorzoeking van de woning en de sluiting van de woning, is er volgens de rechtbank nog steeds sprake van een noodzaak tot sluiting en kan het beoogde doel niet met een minder ingrijpend middel worden bereikt. Verder kan de rechtbank zich vinden in het standpunt van de burgemeester dat [appellante] en haar partner onvoldoende toezicht hebben gehouden en dat daarmee een verwijt kan worden gemaakt. De burgemeester heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de civielrechtelijke gevolgen zich niet tegen een woningsluiting hoeven te verzetten.
Procesbelang
3. De burgemeester betoogt dat [appellante] geen belang heeft bij inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. De sluiting is op 11 maart 2025 geëffectueerd en de woning is op 11 april 2025 weer open gegaan. [appellante] heeft tijdens de sluiting bij familie kunnen logeren. Zij heeft niet aangevoerd of onderbouwd dat zij schade heeft geleden als gevolg van de sluiting. De ontbinding van de huurovereenkomst en mogelijke plaatsing op een zwarte lijst brengt evenmin procesbelang mee. Dat zijn gevolgen van overtreding van de Opiumwet en niet van de daarop gebaseerde maatregel, aldus de burgemeester.
3.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante] belang bij inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. [appellante] heeft toegelicht dat zij in de periode dat haar woning gesloten was bij familie heeft verbleven. Het is niet onaannemelijk dat zij naar aanleiding daarvan kosten heeft moeten maken. Daarnaast heeft zij gedurende de sluiting niet in haar woning kunnen verblijven en is daarmee sprake van een inbreuk op haar woonrecht. De Afdeling verwijst in dit verband op haar eerdere uitspraak van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:6184), onder 5.2.
3.2. Het betoog van de burgemeester slaagt niet.
Beoordeling van het hoger beroep
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester ondanks het tijdsverloop toch nog tot sluiting kon overgaan en niet kon volstaan met een minder ingrijpend middel. Er zit een periode van 11 maanden tussen de constatering en het voornemen tot sluiting. Er is onvoldoende gemotiveerd waarom nog steeds de noodzaak bestond tot sluiting van het pand. Er is geen melding of signaal dat er vanuit de woning is gedeald in drugs en er is geen sprake van overlast of verstoring van de openbare orde.
4.1. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich immers de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten. Aan wie het tijdsverloop te wijten is, is niet relevant. Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen.
4.2. Op 3 juli 2023 zijn in het kader van een opsporingsonderzoek naar een drugsbezorgservice 8 verdachten aangehouden. Eén daarvan is de zoon van [appellante], die in de woning aan de [locaqtie] in Tilburg is aangehouden. In de woning werden ook drugs en aan drugshandel gerelateerde goederen aangetroffen. Nadat de burgemeester de bestuurlijke rapportage van 1 februari 2024 daarover had ontvangen, heeft hij op 6 juni 2024 een voornemen om de woning te sluiten kenbaar gemaakt. De burgemeester is vervolgens met zijn besluit van 1 augustus 2024 overgegaan tot sluiting van de woning. De Afdeling is van oordeel dat het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting is overgegaan, niet dermate lang is geweest dat sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer kon bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. De burgemeester heeft er terecht op gewezen dat de woning werd gebruikt door een criminele organisatie die al jarenlang actief was. Het is volgens de burgemeester aannemelijk dat de activiteiten van de criminele organisatie die de drugsbezorgservice exploiteerde, niet zijn beëindigd. De burgemeester heeft er daarbij terecht op gewezen dat op 15 juli 2024 nog een melding is gedaan bij Meld Misdaad Anoniem waaruit volgt dat de criminele organisatie weer actief was met een drugsbezorgservice. Als de woning niet zou worden gesloten, zou de woning nog steeds gebruikt kunnen worden voor de drugsbezorgservice. Ook is van belang dat in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteiten. De burgemeester heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd dat ten tijde van het besluit van 1 augustus 2024 de sluiting een geschikt middel was.
4.3. Het betoog slaagt niet.
5. Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de sluiting van de woning voor de duur van een maand niet onevenwichtig is. Volgens [appellante] zijn de gevolgen van de sluiting voor haar onevenredig. Daarbij moet ook worden betrokken dat de huurovereenkomst voor de woning, waar zij al 30 jaar woont, wordt ontbonden. Het sluiten van de woning zorgt voor een civielrechtelijke ontbindingsgrond. Hier is onvoldoende rekening mee gehouden.
5.1. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn, waaronder of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2922), onder 11.2.
De Afdeling overweegt dat de burgemeester zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid dat WonenBreburg zou overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst. De burgemeester is hier gemotiveerd op ingegaan in het besluit van 24 december 2024 en is alles afwegende tot de conclusie gekomen dat de belangen om de woning te sluiten zwaarder wegen dan het risico voor [appellante] dat zij haar huurwoning door ontbinding van de huurovereenkomst kwijtraakt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester zich, gelet op de ernst van de situatie en de verwijtbaarheid van [appellante], op het standpunt mogen stellen dat het belang van de sluiting groter is, ondanks dat [appellante] mogelijk haar woning kon worden uitgezet. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom deze gemotiveerde beoordeling van burgemeester onjuist of onvolledig zou zijn. Hoewel op andere gronden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de civielrechtelijke gevolgen zich niet tegen een woningsluiting hoeven te verzetten. De rechtbank heeft in het betoog van [appellante] terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de sluiting voor de duur van een maand onevenwichtig is.
5.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de grond waarop deze rust.
7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1105