202501383/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Capelle aan den IJssel,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (de rechtbank) van 3 februari 2025 in zaak nr. C/10/693490 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Capelle aan den IJssel.
Procesverloop
Bij besluit van 27 januari 2025 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd.
Bij mondelinge uitspraak van 3 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Roos, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester van Capelle aan den IJssel, vertegenwoordigd door mr. T.E.P. Raaphorst, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] woont samen met zijn meerderjarige zoon in een woning in Capelle aan den IJssel. De burgemeester heeft aan [appellant] een huisverbod opgelegd na een geweldsincident tussen hem en zijn zoon, de achterblijver. [appellant] heeft zijn zoon - naar eigen zeggen uit verdediging - met een kettingslot op zijn hoofd geslagen.
Aangevallen uitspraak
2. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was tot het opleggen van het huisverbod in verband met het geweldsincident. De feiten worden door [appellant] erkend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de politiegegevens niet hebben bijgedragen of van enig belang zijn geweest bij de totstandkoming van het besluit van 27 januari 2025. Daarom worden geen gevolgen verbonden aan het ontbreken van de politiegegevens. Volgens de rechtbank heeft de burgemeester in het besluit voldoende gemotiveerd dat het belang van de achterblijver bij een veilige leefomgeving zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij toegang tot zijn woning. Verder kunnen de feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat het ontbreken van veiligheidsafspraken alleen aan de achterblijver te wijten is.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het ontbreken van de politiegegevens en het schenden van de inlichtingenplicht door de burgemeester. Volgens [appellant] had de burgemeester de politiegegevens op grond van het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank ter beschikking moeten stellen. Dat de politiegegevens niet zijn gebruikt ter onderbouwing van het besluit van 27 januari 2025, maakt volgens [appellant] niet dat deze niet relevant zijn en niet zijn aan te merken als op de zaak betrekking hebbende stukken. Het huisverbod is immers opgelegd door een hulpofficier van justitie, die toegang had tot de politiegegevens en daarvan ook kennis heeft genomen. Ook wanneer er discussie bestaat over de vraag of een stuk op de zaak betrekking heeft, moet de rechtbank dat stuk krijgen om daarover te oordelen.
3.1. [appellant] betoogt terecht dat de politiegegevens in dit geval aangemerkt kunnen worden als een op de zaak betrekking hebbend stuk. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank toepassing had moeten geven aan artikel 8:31 van de Awb.
3.2. Indien de burgemeester niet voldoet aan de in artikel 8:42, eerste lid, van de Awb neergelegde verplichting, kan de rechtbank gelet op artikel 8:31 van de Awb daaruit de gevolgtrekkingen maken die haar geraden voorkomen.
De rechtbank heeft overwogen dat de feiten die aanleiding zijn geweest voor het opleggen van het huisverbod door [appellant] worden erkend. Dat de burgemeester bevoegd was tot oplegging van het huisverbod staat niet ter discussie. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat het besluit van 27 januari 2025 niet berust op feiten en omstandigheden die niet uit de andere overgelegde stukken blijken en dat de politiegegevens dus niet hebben bijgedragen tot of van enig belang zijn geweest bij de totstandkoming van dat besluit. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank onder deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om aan het ontbreken van de politiegegevens gevolgen te verbinden.
3.3. Het betoog slaagt niet.
4. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de belangenafweging voldoende is gemotiveerd. De rechtbank is daarbij ten onrechte niet ingegaan op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19368. [appellant] betoogt onder verwijzing naar deze uitspraak dat de oplegging van het huisverbod in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 20 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4780), onder 5.2, is een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De wetgever heeft bepaald dat het huisverbod ook kan worden ingezet wanneer situaties zijn ontstaan waarbij acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot opleggen van een huisverbod bestond. Als dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst.
4.2. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld op alle door hem aangevoerde gronden in het kader van de belangenafweging, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
4.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 21 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2022:3784), onder 4.1, volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet tijdelijk huisverbod (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, p. 2) dat het doel van een huisverbod is om in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. De burgemeester heeft het belang van een periode van rust en de veiligheid van de zoon zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij het gebruik van zijn woning om zijn papegaai te verzorgen. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten in hetgeen [appellant] aanvoert om te concluderen dat de nadelige gevolgen van het huisverbod voor hem onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. De burgemeester heeft in dit geval dan ook gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid om een huisverbod op te leggen. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
4.4. Het betoog slaagt niet.
5. Ook betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte buiten de omvang van het geding is getreden door ook te oordelen over de eventuele bevoegdheid van de burgemeester tot verlenging van het huisverbod.
5.1. In artikel 8:69, eerste lid, van de Awb staat dat de bestuursrechter uitspraak doet op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
5.2. [appellant] heeft op de zitting bij de rechtbank aangevoerd dat er geen veiligheidsafspraken zijn gemaakt door de weigerachtige houding van zijn zoon en dat dit niet voor rekening van [appellant] mag komen. Daarbij heeft [appellant] verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 september 2024, waarin is geoordeeld dat, gezien de weigerachtige houding van de achterblijver, aan de uithuisgeplaatste niet het verwijt kon worden gemaakt dat de onveilige situatie voortduurde, zodat de belangenafweging niet in het nadeel van de uithuisgeplaatste mocht uitvallen.
De rechtbank heeft over dit betoog een oordeel gegeven. Deze overwegingen moeten evenwel worden beschouwd als overwegingen ten overvloede. Het door [appellant] naar voren gebrachte betoog ziet op een verlenging van het huisverbod en de belangenafweging die in dat kader plaatsvindt. Het geding betreft echter alleen de oplegging van het huisverbod. De uitspraak van de rechtbank dient in zoverre te worden verbeterd. De ten overvloede opgenomen overwegingen liggen niet ten grondslag aan de ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 27 januari 2025 tot oplegging van het huisverbod. Daarom zal de Afdeling daar geen inhoudelijk oordeel over geven.
5.3. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1105