202403990/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Hoogvliet, gemeente Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 mei 2024 in zaak nr. 10/674851 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Rotterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024, zoals hersteld bij besluit van 2 februari 2024, heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd.
Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de burgemeester het aan [appellant] opgelegde huisverbod verlengd.
Bij uitspraak van 15 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant] en de burgemeester van Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. S. Duinhouwer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] had een relatie met achterblijfster. In de woning van achterblijfster heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en achterblijfster. Hierbij zijn beiden gewond geraakt. De burgemeester heeft daarom aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de woning van achterblijfster, waar zij met haar minderjarige kinderen woont. [appellant] beschikt over een eigen woning. Omdat de hulpverlening nog niet was opgestart heeft de burgemeester het huisverbod verlengd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat sprake was van een vermoeden van een ernstig en onmiddellijk gevaar. Vaststaat dat in de woning van achterblijfster een incident heeft plaatsgevonden tussen [appellant] en haar. Een ruzie heeft ertoe geleid dat over en weer geweld is gebruikt, waarbij beiden letsel hebben opgelopen. Het huisverbod was nodig om een afkoelingsperiode te bewerkstellingen om rust te creƫren en een ex-partnergesprek te organiseren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester het huisverbod aan [appellant] mogen opleggen, omdat hij een eigen woning heeft waar hij kon verblijven en achterblijfster met haar minderjarige kinderen in de woning woont.
Verder overweegt de rechtbank dat ten tijde van het verlengingsbesluit nog geen passende hulpverlening was opgestart. Zo had er nog geen ex-partnergesprek plaatsgevonden. Verder is niet gebleken van concrete feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het gevaar op dat moment geweken was. De risicofactoren voor ruzie en escalatie waren nog aanwezig. De burgemeester was daarom bevoegd om het huisverbod te verlengen.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt in hoger beroep dat het huisverbod ten onrechte op hem is toegepast. Hij is slachtoffer. Het huisverbod had op naam van achterblijfster moeten staan. Dat staat zelfs in het huisverbod. Ook wijst [appellant] erop dat de strafzaak is geseponeerd en hij een schadevergoeding krijgt omdat hij ten onrechte heeft vastgezeten. [appellant] wil niet dat het huisverbod vijf jaar op zijn naam blijft staan.
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep hierover heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat hierboven samengevat is weergegeven.
3.2. Daar voegt de Afdeling nog het volgende aan toe. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de omstandigheid dat de strafzaak is geseponeerd geen rol speelt bij de bevoegdheid om een huisverbod op te leggen. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 21 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2342), onder 4), is gelet op de spoedeisende aard van een huisverbod niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaan. Deze feiten en omstandigheden moeten in ieder geval aannemelijk zijn.
De verklaringen van zowel [appellant] als achterblijfster maken aannemelijk dat de aanwezigheid van [appellant] een ernstig en onmiddellijk gevaar opleverde voor de veiligheid van hemzelf, van achterblijfster en van haar kinderen. Daarbij mocht de burgemeester ervan uitgaan dat [appellant] vanwege zijn relatie met achterblijfster een meer dan incidenteel verblijf had op het adres van achterblijfster. Dat het huisverbod is opgelegd aan [appellant] en niet aan achterblijfster is in het belang van de minderjarige kinderen van achterblijfster. De burgemeester heeft hun belangen zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij contact met achterblijfster.
Verder is niet gebleken dat de registratie van het opgelegde huisverbod na het aflopen van het huisverbod nog aan [appellant] kan worden tegengeworpen. Te meer nu de strafzaak tegen [appellant] naar aanleiding van het incident is geseponeerd.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1105