202403779/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 23/3507 in het geding tussen:
[appellant]
en
het dagelijks bestuur van Omgevingsdienst IJmond.
Procesverloop
Bij besluit van 16 juni 2023 heeft de Omgevingsdienst beslist op het verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (de Woo) en documenten openbaar gemaakt.
Bij uitspraak van 7 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 16 juni 2023 ontstane beroep van rechtswege ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Omgevingsdienst heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Omgevingsdienst en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 februari 2026, waar [appellant], via een videoverbinding vertegenwoordigd door mr. K. van Driel, rechtsbijstandverlener in Heemskerk, en de Omgevingsdienst, vertegenwoordigd door mr. C.C. Agtersloot, vergezeld door mr. M. van Schip en W. Zandvliet, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft de Omgevingsdienst verzocht om openbaarmaking van documenten op grond van de Woo. Het verzoek ziet op alle informatie over het spelen van padel, waaronder de correspondentie daarover, de aanpak van padel, metingen, akoestische rapporten en reacties daarop. Ook wil [appellant] alle reacties en mails van de - ook externe - adviseurs die de Omgevingsdienst heeft ingeschakeld. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Omgevingsdienst diverse documenten openbaar gemaakt. Nadat [appellant] bij de rechtbank een beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld, heeft de Omgevingsdienst op 16 juni 2023 alsnog op het verzoek beslist en documenten openbaar gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank is van oordeel dat de Omgevingsdienst geloofwaardig heeft gesteld en onderbouwd hoe hij heeft gezocht in zijn archieven en systemen en bij de betrokken medewerkers. De mededeling van de Omgevingsdienst dat hij geen Whatsapp-berichten en documenten over het padelteam onder zich heeft, is daarom niet ongeloofwaardig. [appellant] heeft verder niet expliciet kunnen maken op welk punt het anonimiseren van openbaar gemaakte documenten op verkeerde wijze heeft plaatsgevonden en waarom het belang van openbaarheid van de geanonimiseerde persoonsgegevens zwaarder moet wegen dan het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ook ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de bevoegdheid van de directeur om het Woo-besluit te nemen.
Hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geloofwaardig heeft gevonden dat er geen documenten zijn van het padeloverleg. Er had op zijn minst informatie moeten zijn over de plek, de tijd, waar en in welke samenstelling het padelteam overleg voert. Ook is het ongeloofwaardig dat zij geen stukken lezen of afspraken maken. Volgens [appellant] werden wel degelijk stukken ingebracht in het padeloverleg en werd ook een terugkoppeling gegeven.
3.1. [appellant] heeft in hoger beroep gewezen op e-mailberichten die niet openbaar gemaakt zouden zijn. Zoals de Omgevingsdienst in het nadere stuk heeft aangegeven, zijn deze berichten - ondanks dat deze abusievelijk niet op de inventarisatielijst zijn opgenomen - wel degelijk openbaar gemaakt. Na de uitspraak van de rechtbank heeft de Omgevingsdienst ook nog een werklijst verenigingen inzake padel aan [appellant] verstrekt. De Afdeling concludeert dat deze werklijst onder het Woo-verzoek valt en daarom ten onrechte niet eerder is verstrekt. Reeds hierom heeft de rechtbank ten onrechte geloofwaardig gevonden dat er niet meer documenten waren van het padeloverleg.
3.2. Het betoog slaagt.
4. De Omgevingsdienst heeft op de zitting bij de Afdeling nader toegelicht op welke wijze de zoekslag is verricht, welke systemen zijn doorzocht en welke zoektermen zijn gebruikt. Bij de zoekslag is ook de ICT-afdeling betrokken geweest, die onder meer de mailboxen van betrokken ambtenaren heeft doorzocht. De Omgevingsdienst heeft toegelicht dat er geen andere stukken meer zijn die nog niet openbaar zijn gemaakt. De Afdeling vindt die toelichting gelet op de wijze waarop de zoekslag is verricht aannemelijk. De Afdeling is van oordeel dat de mededeling van de Omgevingsdienst dat er niet meer documenten over het padeloverleg onder hem berusten dan nu openbaar zijn gemaakt, niet ongeloofwaardig is. De verstrekte werklijst was een dynamisch document waarin de stand van zaken werd bijgehouden. Dat is een aannemelijke verklaring voor het niet aanwezig zijn van meer e-mailberichten. Dit heeft [appellant] op de zitting ook erkend. [appellant] heeft bovendien niet aangevoerd of aannemelijk gemaakt dat de Omgevingsdienst te beperkt heeft gezocht. Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nog documenten over het padeloverleg ontbreken, ziet de Afdeling geen aanleiding om de Omgevingsdienst op te dragen een nieuwe zoekslag te verrichten.
5. Verder betoogt [appellant] terecht dat de rechtbank voor het beroep niet tijdig beslissen een verkeerde puntwaarde heeft gehanteerd. De tarieven per punt voor de voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komende proceshandelingen zijn openbaar doordat deze zijn vastgelegd in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. In deze bijlage was ten tijde van de uitspraak van de rechtbank bepaald dat de waarde van 1 punt gelijk is aan € 875,00. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters wordt in beginsel wegingsfactor 0,5 toegepast indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht). Het is daardoor voor eenieder duidelijk dat het in het dictum opgenomen bedrag van € 418,50 (voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen) in plaats van € 437,50 op een vergissing berust. Vergelijk de uitspraak van 1 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN5718), onder 2.6.1. Voor rectificatie van deze kennelijke vergissing of verschrijving had [appellant] zich tot de rechtbank kunnen wenden. Ook had [appellant] de Omgevingsdienst kunnen verzoeken het juiste bedrag over te maken. De Afdeling zal daarom verstaan dat € 418,50 moet worden gelezen als € 437,50, zodat de Omgevingsdienst tot nabetaling van € 19,00 zal kunnen overgaan.
Conclusie
6. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard. De Afdeling zal het besluit van 16 juni 2023 herroepen voor zover de Omgevingsdienst heeft geweigerd de werklijst openbaar te maken en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van dat deel van het besluit.
7. De Omgevingsdienst moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 mei 2024 in zaak nr. 23/3507 voor zover de rechtbank het beroep van [appellant] ongegrond heeft verklaard;
III. verstaat dat de proceskostenvergoeding die in het dictum van de uitspraak van de rechtbank is gesteld op € 418,50, gelezen moet worden als € 437,50;
IV. herroept het besluit van 16 juni 2023, met kenmerk ODIJ-Z-23-124231, voor zover het dagelijks bestuur van Omgevingsdienst IJmond daarbij heeft geweigerd de werklijst te openbaar te maken;
V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het herroepen deel van dat besluit;
VI. veroordeelt het dagelijks bestuur van Omgevingsdienst IJmond tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het dagelijks bestuur van Omgevingsdienst IJmond aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 279,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Blomberg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1105