202407136/1/A2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de burgemeester van Zoetermeer,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2024 in zaak nr. 23/7157 in het geding tussen:
[wederpartij A] en [wederpartij B], wonend in Zoetermeer
en
de burgemeester.
Procesverloop
Bij besluit van 10 oktober 2022 heeft de burgemeester het handhavingsverzoek van [wederpartij] c.s afgewezen.
Bij besluit van 11 april 2023 heeft de burgemeester beslist op het daartegen door [wederpartij] c.s. ingediende bezwaarschrift en daarbij het besluit van 10 oktober 2022 herroepen.
Bij besluit van 11 september 2023 heeft de burgemeester het handhavingsverzoek van [wederpartij] c.s. opnieuw afgewezen.
[wederpartij] c.s. heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De burgemeester heeft ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij uitspraak van 14 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] c.s. tegen het besluit van 11 september 2023 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de burgemeester opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.
[wederpartij] c.s. heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 26 november 2025 heeft de burgemeester opnieuw op de aanvraag van [wederpartij] c.s. beslist en het handhavingsverzoek afgewezen.
[wederpartij] c.s. is in de gelegenheid gesteld hierover een zienswijze naar voren te brengen. Hij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 januari 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Janssen en G.A. Bianchi, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [wederpartij] c.s. woont met zijn twee kinderen (geboren in 2014 en 2018) in Zoetermeer. [buurman] woont daar vlakbij. Zijn woning en tuin grenzen aan de tuin van [wederpartij] c.s. De buurman krijgt begeleiding vanwege een autismespectrumstoornis. Hij heeft moeite met het verdragen van het leefgeluid uit de woning van [wederpartij] c.s., met name de geluiden van de kinderen. Sinds 2020 ervaart het gezin overlastgevend gedrag van de buurman. Vanaf mei 2020 hebben zij herhaaldelijk meldingen gedaan bij de politie. De meldingen betreffen het opzettelijk veroorzaken van geluidsoverlast door luide muziek ten gehore te brengen, het uiten van beledigingen en het richten van scheldpartijen tot leden van het gezin.
Besluitvorming
2. [wederpartij] c.s. heeft de burgemeester verzocht om handhavend op te treden tegen de door het gezin als ernstig en herhaaldelijk ervaren woonoverlast. De burgemeester heeft dit verzoek afgewezen. In de bezwaarprocedure tegen dat besluit heeft de commissie bezwaarschriften in haar advies aan de burgemeester geconcludeerd dat hij onvoldoende onderzoek heeft verricht. Daarop heeft de burgemeester de afwijzing herroepen en alsnog nader onderzoek verricht.
3. Na het nieuwe onderzoek heeft de burgemeester het handhavingsverzoek op 11 september 2023 opnieuw afgewezen. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat bestuurlijke handhaving tegen woonoverlast een laatste redmiddel is. Volgens de burgemeester moesten daarom eerst de gevolgen van het vonnis van de civiele rechter worden afgewacht. Daarna moest de coördinator woonoverlast nog de ruimte krijgen om een oplossing te vinden. Verder moest vanwege de grote gevolgen die handhaving kan hebben, onomstotelijk vaststaan dat er sprake was van ernstige en herhaaldelijke overlast. Volgens de burgemeester is niet gebleken van ernstige scheldpartijen en was de geluidsoverlast voornamelijk aan de orde in het buitenseizoen, waardoor de herhaaldelijkheid werd doorbroken. De ernst van de harde muziek was ook niet eenduidig vast te stellen. Verder betwijfelde de burgemeester of de buurman in staat is om zich aan een eventuele maatregel te houden.
Civielrechtelijke procedures
4. [wederpartij] c.s. heeft tegen de buurman een civielrechtelijke procedure gevoerd over de overlast. Dit heeft geleid tot een vonnis in kort geding van 23 januari 2023. De kortgedingrechter heeft het handelen van de buurman aangemerkt als onrechtmatig jegens [wederpartij] c.s. De kortgedingrechter heeft de buurman gelast tot het beëindigen van geluidsoverlast, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere overtreding met een maximum van € 10.000,00. In deze procedure heeft de buurman toegezegd de overlast te zullen beëindigen. Desondanks heeft de buurman volgens [wederpartij] c.s. het kortgedingvonnis meerdere malen overtreden en als gevolg daarvan dwangsommen verbeurd.
5. De buurman heeft een civielrechtelijke procedure gevoerd tegen de invordering van de dwangsommen die zijn verbeurd als gevolg van het kortgedingvonnis. Dit heeft geleid tot een vonnis van de civiele rechter op 28 mei 2025. [wederpartij] c.s. heeft 32 dwangsommen aangezegd voor gedragingen van de buurman in de periode van 13 april 2024 tot en met 9 september 2024. Van deze dwangsommen zijn er volgens de civiele rechter twee terecht verbeurd, de overige dertig niet. De schadevergoeding wegens gederfd woongenot, heeft de civiele rechter vastgesteld op € 2.500,00 wegens de overlast die de buurman vanaf het voorjaar van 2020 tot aan 4 december 2023 heeft veroorzaakt. Gezien de aard, de ernst en de duur daarvan heeft de overlast een inbreuk gevormd op de eigendomsrechten en het recht op ongestoord woongenot van [wederpartij] c.s.
Uitspraak van de rechtbank
6. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar uitspraak ten grondslag gelegd.
6.1. De rechtbank heeft overwogen dat in het Instrument woonoverlast Zoetermeer (hierna: het Instrument) niet staat wat "ernstige en herhaaldelijke hinder" is. Het is onduidelijk aan welke criteria de burgemeester getoetst heeft. Voor de vraag of sprake is van ernstige of herhaaldelijke hinder kan aansluiting worden gezocht bij de hindercriteria zoals neergelegd in artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, hangt volgens de hindercriteria af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Het onderzoek dat de burgemeester verricht heeft, heeft de rechtbank gebrekkig geacht. Bovendien is gebleken dat de civiele rechter bij vonnis van 23 januari 2023 heeft vastgesteld dat sprake is van ernstige en herhaaldelijke hinder. De burgemeester kon daarom zonder nadere motivering niet tot een ander oordeel dan de civiele rechter komen. De burgemeester heeft onvoldoende en gebrekkig gemotiveerd dat geen sprake zou zijn van ernstige en herhaaldelijke hinder. Het voorgaande brengt volgens de rechtbank mee dat het bestreden besluit geen stand kan houden wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
6.2. De rechtbank is verder van oordeel dat er geen geschikte alternatieven meer waren om tot een oplossing te komen. De civielrechtelijke procedure heeft niet tot een oplossing geleid. Met de al genomen maatregelen heeft [wederpartij] c.s. alles gedaan wat binnen zijn macht ligt om de overlast te stoppen. In dit licht heeft de burgemeester onvoldoende duidelijk gemaakt welke geschikte maatregelen nog niet gebruikt zijn. De burgemeester heeft niet kunnen aangeven welke concrete bijdrage de coördinator woonoverlast nog zou kunnen leveren aan een oplossing en waarom haar bijdrage zou moeten worden afgewacht.
Beoordeling van het hoger beroep
7. Wat de burgemeester in hoger beroep aanvoert, is in de kern een herhaling van de standpunten die hij heeft ingenomen in het onderzoek dat ten grondslag lag aan het besluit van 11 september 2023 en waarop de rechtbank heeft beslist. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De burgemeester heeft geen redenen aangevoerd waarom dit oordeel van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank hierover en in de onder 16 tot en met 23 van die uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
7.1. De Afdeling voegt daaraan toe dat in het vonnis van 28 mei 2025 een schadevergoeding aan [wederpartij] c.s. is toegekend wegens de overlast die de buurman vanaf het voorjaar van 2020 tot aan 4 december 2023 heeft veroorzaakt. Het betoog van de burgemeester dat er destijds geen sprake was van ernstige herhaaldelijke hinder is hiermee weerlegd. De Afdeling merkt daarbij verder op dat de stelling dat de overlast inmiddels opgelost zou zijn, zoals door de burgemeester op de zitting naar voren is gebracht, een omstandigheid is van na het nemen van het besluit van 11 september 2023. Met die omstandigheid wordt geen rekening gehouden bij de beoordeling van de uitspraak van de rechtbank.
7.2. De burgemeester heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij het advies van de commissie bezwaarschriften in het besluit van 11 april 2023 slechts ten dele heeft overgenomen. Het advies is overgenomen ten aanzien van het onderzoek, niet wat betreft het bestaan van de ernstige en herhaalde hinder. Voor deze clausulering biedt de tekst van besluit van 11 april 2023 geen enkel aanknopingspunt. De Afdeling wijst er verder op dat de burgemeester op de zitting erkend heeft dat er sinds de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2024 in het kader van het Instrument geen enkel onderzoek heeft plaatsgevonden. Wat de burgemeester op de zitting naar voren heeft gebracht over werkzaamheden die de coördinator woonoverlast zou hebben uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat dit niet blijkt uit de in het procesdossier aanwezige gegevens. Bovendien is dit in hoger beroep niet onderbouwd.
7.3. De wetgever heeft in de Wet aanpak woonoverlast de burgemeester de bevoegdheid toegekend om te handhaven bij woonoverlast. De burgemeester dient als bestuursorgaan prudent om te gaan met de hem verstrekte bevoegdheden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de burgemeester dit, gelet op het voorgaande, nagelaten.
Conclusie hoger beroep
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Besluit van 26 november 2025
9. De burgemeester heeft op 26 november 2025 ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2024 en naar aanleiding van het vonnis van de civiele rechter van 28 mei 2025 opnieuw besloten tot afwijzing van het handhavingsverzoek van [wederpartij] c.s. De reden daarvoor is dat de civiele rechter heeft geoordeeld dat de overlast na de kortgedingprocedures is afgenomen en dat de geluidsoverlast met name in de lente en zomer plaatsvindt. De burgemeester heeft hieruit geconcludeerd dat er geen sprake (meer) is van ernstige en herhaaldelijke hinder. De burgemeester stelt voor dat de coördinator woonoverlast als bemiddelaar tussen [wederpartij] c.s. en de buurman kan optreden. De burgemeester heeft daarom besloten aan de buurman geen maatregel in de zin van het Instrument op te leggen.
10. [wederpartij] c.s. heeft in zijn zienswijze geen gronden aangevoerd tegen het besluit van 26 november 2025, maar te kennen gegeven dat de procedure van hem niet hoeft te worden voortgezet. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van die wet, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Slotsom
11. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden. [wederpartij] c.s. heeft de Afdeling verzocht in deze zaak de wegingsfactor "zeer zwaar" toe te kennen. De Afdeling ziet in de aard van de zaak geen aanleiding om bijzondere omstandigheden aan te nemen in de zin van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en evenmin voor het oordeel dat voor de voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een hogere wegingsfactor moet worden toegepast, zoals opgenomen in de bijlage bij dat Besluit.
12. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van de burgemeester griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de burgemeester van Zoetermeer tot de vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de burgemeester van Zoetermeer een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. H.J.M. Besselink en mr. M.C Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
284-1180
BIJLAGE
Artikel 8:109 van de Algemene Wet Bestuursrecht
[…]
2. Indien het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de aangevallen uitspraak in stand blijft, wordt van het bestuursorgaan een griffierecht geheven dat gelijk is aan het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde bedrag.
Artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek
De eigenaar van een erf mag niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 162 van Boek 6 onrechtmatig is, aan eigenaren van andere erven hinder toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun.
Artikel 151d van de Gemeentewet
1. De raad kan bij verordening bepalen dat degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, er zorg voor draagt dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2. De in artikel 125, eerste lid, bedoelde bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het in het eerste lid bedoelde voorschrift wordt uitgeoefend door de burgemeester. De burgemeester oefent de bevoegdheid uit met inachtneming van hetgeen daaromtrent door de raad in de verordening is bepaald en slechts indien de ernstige en herhaaldelijke hinder redelijkerwijs niet op een andere geschikte wijze kan worden tegengegaan.
3. Onverminderd de laatste volzin van het tweede lid kan de last, bedoeld in de eerste volzin van dat lid, een verbod inhouden om aanwezig te zijn in of bij de woning of op of bij het erf. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen. De artikelen 2, tweede lid, en vierde lid, aanhef en onder a en b, 5, 6, 8, eerste lid, aanhef en onder a en b, 9 en 13 van de Wet tijdelijk huisverbod zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de
burgemeester bij ernstige vrees voor verdere overtreding de looptijd van het verbod kan verlengen tot ten hoogste vier weken.
Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Zoetermeer
Artikel 2:37a - Instrument woonoverlast
1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt draagt er zorg voor dat:
• door gedragingen in of vanuit die woning of vanaf dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt of:
• in de onmiddellijke nabijheid van die woning of vanaf dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
2. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf tegen betaling in gebruik geeft draagt er zorg voor dat:
• door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt of-
• in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
3. Als de burgemeester naar aanleiding van een schending van de zorgplicht zoals verwoord in de leden 1 en 2 van dit artikel een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang oplegt kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen.
4 De burgemeester stelt beleidsregels op ter uitvoering van het instrument tegen woonoverlast.
Instrument woonoverlast Zoetermeer
Artikel 1 - Het onderzoek
1. Voordat de burgemeester overweegt een maatregel vanwege woonoverlast op te leggen gelast hij eerst een onderzoek.
2. Het onderzoek betreft in ieder geval de inventarisatie van:
• de aanwezigheid van een dossier:
• de aard van de woonoverlast
• de ernst van de woonoverlast;
• de herhaaldelijkheid van de woonoverlast;
• de reeds genomen civielrechtelijke en/of bestuursrechtelijke maatregelen;
• de reeds genomen overige maatregelen;
• de antecedenten van betrokken partijen;
• de plaatselijke omstandigheden.
3. De burgemeester kan zich bij dit onderzoek laten bijstaan door externe deskundigen.
4. Van het onderzoek wordt een verslag opgemaakt.
Artikel 2 - De afweging
I. Op basis van het onderzoeksverslag ingevolge artikel 1, lid 4 weegt de burgemeester de belangen van alle betrokkenen af.
2. De burgemeester vergewist zich ervan dat andere maatregelen niet effectief zijn en/of niet geschikt zijn.
3. Na de afweging bepaalt de burgemeester of de woonoverlast dermate ernstig is dat het opleggen van een maatregel gerechtvaardigd is.
4. De burgemeester kan binnen één casus aan meer betrokken partijen een maatregel opleggen.
[…]
Artikel 4 - De aard van de maatregel
1. Per casus bekijkt de burgemeester wat de meeste geschikte maatregel is.
2. De maatregel kan een gebod inhouden om iets te doen en/of een gebod inhouden om iets te laten.
3. De woonoverlastveroorzaker moet in staat zijn de maatregel uit te voeren.